Vrijspraak opzettelijke schending ambtsgeheim

Gerechtshof Amsterdam 1 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:274

De verdachte was als toezichthouder, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, in dienst van de gemeente Den Helder, afdeling Veiligheid Vergunningen en Handhaving. Op 14 november 2015 had hij dienst met zijn collega Naam 2. Tijdens die dienst zijn de verdachte en Naam 2 naar het bedrijf van Naam 1 gereden, omdat de verdachte nog iets aan hem (privé) moest betalen. Bij die gelegenheid heeft Naam 1 verteld dat er in het verleden iemand bij hem is gekomen met het verzoek een revolver uit te boren. Diegene zou de revolver hebben achter gelaten en nooit meer hebben opgehaald.

Volgens het proces-verbaal van bevindingen van Naam 2 van 16 januari 2016 heeft Naam 1 dit verteld tegen de verdachte. Naam 2 heeft ook op 15 januari 2016 per mail aan de verdachte gevraagd hierover een proces-verbaal van bevindingen op te maken. Dat heeft de verdachte echter pas na een verzoek van zijn leidinggevende, eind februari, gedaan op 8 maart 2016. Daarin is te lezen dat de verdachte niet eerder een proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt, omdat Naam 1 niet over het pistool tegen hem, maar juist tegen Naam 2 zou hebben verteld. Dat heeft de verdachte later in zijn verklaringen als getuige en als verdachte herhaald. Volgens de verdachte was hij niet bij het gesprek tussen Naam 1 en Naam 2 aanwezig, maar vertelde Naam 2 pas bij het verlaten van het terrein tegen de verdachte wat Naam 1 over het vuurwapen had gezegd. Naam 1 heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris bevestigd dat hij tegen Naam 2 heeft gesproken over het vuurwapen en dat de verdachte daar niet bij stond. Hij denkt ook dat de verdachte dat gesprek niet heeft kunnen horen.

Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat Naam 1 niet tegen verdachte maar tegen Naam 2 heeft gesproken over het vuurwapen. De verdachte heeft ook bevestigd dat Naam 2 hem per mail van 15 januari 2016 heeft gevraagd of de verdachte een proces-verbaal zou willen opmaken over het vuurwapen. Dit verzoek kwam echter niet van een leidinggevende en omdat de verdachte niet uit eigen waarneming kon verklaren, is niet onbegrijpelijk dat hij aan die vraag geen gehoor heeft gegeven. Volgens de verdachte heeft hij na de e-mail van Naam 2 geen contact meer met hem gehad, laat staan dat ze over het voorval hebben gesproken.

De verdachte heeft uit de e-mail van Naam 2 wel moeten begrijpen dat Naam 2 vond dat er over het wapen een proces-verbaal van bevindingen moest worden opgemaakt. Dat een bijzonder opsporingsambtenaar hierover de betrokkene niet vooraf dient te informeren, in elk geval niet als de kans bestaat dat als gevolg daarvan bewijs zal worden weggemaakt, is evident en ook door de verdachte ter terechtzitting erkend.

Verder staat vast dat de verdachte begin februari, dus vóór het verzoek van zijn leidinggevende proces-verbaal op te maken, opnieuw het bedrijventerrein van Naam 1 heeft bezocht. Hij was samen met zijn collega Naam 3 en ze bezochten het terrein tijdens hun dienst in verband met afval dat daar lag. De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij bij die gelegenheid (eerste gedachtestreepje in de tenlastelegging) ‘Naam 1 voorkennis heeft gegeven over het feit dat hij – verdachte – een proces-verbaal zou moeten opmaken ter zake verdenking van het voorhanden hebben van een wapen’. Volgens de verklaring van Naam 1 bij de politie heeft de verdachte hem inderdaad gezegd dat verdachte was gevraagd een proces-verbaal op te maken en de verdachte heeft dit bij de politie in zijn verklaring als getuige bevestigd. Hierop is de verdachte, als hij als zodanig door de politie wordt gehoord, teruggekomen. Volgens hem is niet expliciet gesproken over een wapen, hetgeen door zijn collega Naam 3 zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris is bevestigd. Het hof gaat daarom uit van deze laatste verklaring van de verdachte. Dat Naam 1 wel heeft begrepen dat de verdachte iets zei over het wapen is voorstelbaar, omdat – volgens zijn eigen verklaring bij de politie – de verdachte wel tegen Naam 1 heeft gezegd: “er wordt of is proces-verbaal van bevindingen gemaakt van dat voorval in november, als er wat is of als je wat hebt dan moet je dat aangeven op het politiebureau”. De verdachte doelde hiermee, volgens zijn eigen verklaring, op de mogelijke aanwezigheid van een wapen.

Uitgaande van de hiervoor geschetste gaan van zaken kan echter niet worden bewezen dat de verdachte heeft gezegd dat híj proces-verbaal moest opmaken tegen Naam 1, zoals feitelijk omschreven bij het eerste gedachtestreepje in de tenlastelegging.

Bewezen kan wellicht worden dat de verdachte, in daaraan gelijk te stellen bewoordingen, aan Naam 1 heeft gevraagd of hij het wapen nog had en dat hij dat aan de politie moest geven, zoals feitelijk omschreven bij de laatste twee gedachtestreepjes in de tenlastelegging. Vanuit de wetenschap dat Naam 2 hieromtrent vermoedelijk proces-verbaal had opgemaakt of nog zou moeten opmaken, is ook mogelijk sprake van een geheim als bedoeld in artikel 272, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft ook ter terechtzitting erkend dat hij deze opmerking, achteraf gezien, niet had moeten maken, maar dat hij niet opzettelijk een geheim heeft geschonden. Het hof is het op dat punt met de verdachte eens.

Van opzet, in de zin dat de verdachte Naam 1 bedoeld heeft getipt over het opmaken van een proces-verbaal en dus een mogelijk onderzoek naar de aanwezigheid van een vuurwapen, is niet gebleken. De verdachte heeft noch na het eerste bezoek, noch na de mail van Naam 2 op 15 januari 2016 Naam 1 – heimelijk – hierover ingelicht. Het tweede bezoek van de verdachte aan het bedrijf van Naam 1 begin februari 2016 was naar aanleiding van de toevallige constatering dat op het terrein van Naam 1 afval was neergelegd. Dit bezoek heeft dan ook niet plaatsgevonden met de intentie van de verdachte om Naam 1 op dat moment over een mogelijk onderzoek in te lichten. Het hof wordt gesterkt in die conclusie omdat de verdachte steeds vergezeld was van zijn collega Naam 3. Het is onwaarschijnlijk dat de verdachte in diens bijzijn opzettelijk zijn ambtsgeheim heeft willen schenden.

Naar het oordeel van het hof kan de verdachte wel worden verweten aan Naam 1 te hebben gezegd dat hij een eventueel wapen aan de politie moet overhandigen. Dat was onnadenkend, de verdachte had anders kunnen handelen en heeft dat niet gedaan. In zoverre treft de verdachte schuld. De feiten en omstandigheden waaronder de verdachte deze mededeling heeft gedaan rechtvaardigen echter niet de conclusie dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de verdachte op het moment van zijn mededeling aan Naam 1 bewust was van de mogelijke gevolgen van zijn handelen, laat staan dat hij deze ook heeft aanvaard. De verdachte zal dan ook bij gebreke van opzet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF