Veroordeling voormalig adjunct-directeur facilitair bedrijf RuG. Vordering BP niet-ontvankelijk.

Rechtbank Overijssel 27 mei 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1798

Een 52-jarige man uit Groningen wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur voor passieve ambtelijk omkoping. Hij heeft als toenmalig adjunct-directeur facilitair bedrijf van de Rijksuniversiteit Groningen de coördinatie van het afbouwen van zijn privé woning overgelaten aan zijn ondergeschikte.

Deze ondergeschikte is in 2017 veroordeeld in een grote corruptiezaak bij de universiteit. Hij bood de coördinatie van de afbouw aan als dienst, vroeg er geen geld voor en wilde enkel gereduceerde betaling voor bouwkosten.

Door deze gift te accepteren en op weinig transparante wijze in zee gaan met zijn werknemer heeft de adjunct-directeur zichzelf in een kwetsbare positie gebracht. De man had door het aannemen van de dienst van zijn werknemer redelijkerwijs moeten vermoeden dat dit de strekking kon hebben om hem (ooit) te bewegen tot een bepaalde ambtshandeling, of het nalaten daarvan. Dat een verlangde concrete tegenprestatie (nog) niet aantoonbaar heeft plaatsgevonden, doet hieraan niet af.

De bewuste werknemer is in 2017 veroordeeld als spil was in een ambtelijke corruptiezaak bij de universiteit.

Inleiding

In 2006 is verdachte als unithoofd gebouw- en terreinbeheer in dienst getreden bij de Rijksuniversiteit Groningen (RuG). De functienaam is na aanpassing van de organisatie gewijzigd in ‘adjunct-directeur van het facilitair bedrijf RuG’.

Verdachte is de direct leidinggevende geweest van hoofdverdachte (medeverdachte in het aan de strafzaak van verdachte ten grondslag liggende FIOD-onderzoek).

In september 2016 is aan het dienstverband van verdachte met de RuG een einde gekomen.

De woning van verdachte is vanaf eind 2012 door tussenkomst van hoofdverdachte afgebouwd na het faillissement van de aannemer van verdachte. De bouw is verricht door mensen die als ZZP-er bij de RuG werkzaamheden verrichten. Voor de afbouw van de woning gebruikte materialen en uren zijn gedeclareerd bij de RuG.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De verdediging heeft daartoe, samengevat weergegeven, aangevoerd dat, in het geval het coördineren van de verdere bouw van de woning van verdachte door hoofdverdachte moet worden gezien als een gift of dienst, er geen sprake is geweest van een tegenprestatie door verdachte en evenmin dat verdachte werd bewogen tot een bepaalde ambtshandeling. Een relatie tussen de klachtmail aan verdachte over mogelijke onoirbare handelingen van hoofdverdachte in september 2011 enerzijds en anderzijds het verzoek in december 2012 van verdachte aan hoofdverdachte om de afbouw van zijn woning te coördineren, is er niet en kan evenmin als tegenprestatie worden gezien.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het verhandelde ter zitting en de inhoud van het dossier staat het volgende vast.

Verdachte heeft ter zitting verklaard, dat hij in 2012 is begonnen met de bouw van een nieuwe woning. In de loop van het jaar 2012 zijn daarbij problemen ontstaan; eind 2012 is de aannemer failliet gegaan.

Verdachte heeft in december 2012/januari 2013 zijn huurwoning moeten verlaten. Hij heeft zijn intrek genomen in de nieuwe woning. De resterende werkzaamheden aan de woning betroffen het afmonteren van installatiewerk en stucwerk aan de woning.

Verdachte heeft, omdat hij onvoldoende kennis van zaken en tijd had om zelf de (coördinatie van de) verdere bouw van de woning op zich te nemen, hoofdverdachte gevraagd om dat te doen, omdat hij hoofdverdachte deskundig vond en hem vertrouwde.

Nadat de gefailleerde aannemer verdachte een prijsopgave van circa €22.500 voor de resterende werkzaamheden heeft gedaan, heeft verdachte - bij gebrek aan voldoende kennis daarvan - hoofdverdachte gevraagd of dat een reële begroting voor de resterende werkzaamheden zou zijn.

Ten aanzien van de kosten van de afbouw van de woning heeft verdachte verklaard dat hij voor rioleringswerkzaamheden een bedrag van €10.248,70 per bank aan het bedrijf JD Installaties heeft betaald. Voor de kosten van de door hoofdverdachte gecoördineerde werkzaamheden heeft hij hoofdverdachte een bedrag van €11.000 giraal overgemaakt en de rest, in totaal €15.280, contant betaald omdat hoofdverdachte dat zo wilde, aldus verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat hij via hoofdverdachte korting kon krijgen op de bouwmaterialen. Anders dan bij de aannemer zou hij via hoofdverdachte geen opslag van 8 à 10% over de bouwmaterialen hoeven betalen.

Verdachte heeft geen facturen van de verrichtte werkzaamheden aan de woning ontvangen.

Verdachte heeft hoofdverdachte gevraagd of hoofdverdachte een vergoeding verlangde voor zijn werkzaamheden (zijnde de coördinatie van de afbouw van de woning van verdachte), maar hoofdverdachte wilde dat niet. Het door hoofdverdachte laten coördineren van de bouw van zijn woning heeft verdachte als een vriendendienst gezien, zo verklaarde verdachte ter terechtzitting.

hoofdverdachte heeft verklaard3 dat verdachte adjunct directeur facilitair bedrijf bij de RuG was en dat verdachte zijn baas was. Voorts heeft hoofdverdachte verklaard dat verdachte in de problemen is geraakt met een aannemer die failliet ging. Hoofdverdachte heeft verdachte aangeboden hem te helpen en hij heeft geregeld dat het huis werd afgebouwd.

Een deel van de kosten heeft hoofdverdachte vooruit betaald en verdachte heeft hem het geld terugbetaald. Hoofdverdachte heeft verder verklaard4 dat de kosten van de woning van verdachte rond €27.000 waren en dat hij daar de BTW heeft uitgehaald. Verdachte moest daarop €22.000 aan hem betalen. Verdachte heeft de BTW niet betaald. Verdachte heeft hem een deel per bank betaald en een deel contant.

Bij de beoordeling van het ten laste gelegde stelt de rechtbank het volgende voorop.

In artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gaat het om het strafbaar gestelde delict passieve omkoping. Het betreft de gedraging van de ambtenaar die zich laat omkopen. Voor strafbaarheid op grond van artikel 363 Sr is niet vereist dat na het aannemen van giften door de ambtenaar, het met die giften beoogde handelen of nalaten ook daadwerkelijk is gevolgd. Voldoende is dat de ambtenaar op het moment dat hij de gift aanneemt, weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die gift hem is gedaan om hem te bewegen in de toekomst iets te doen of te laten of omdat hij in het verleden iets heeft gedaan of nagelaten.5

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft, nadat hij was geconfronteerd met het feit dat zijn aannemer failliet was gegaan terwijl zijn woning nog niet was afgebouwd, zijn ondergeschikte hoofdverdachte gevraagd of hij de verdere bouw van zijn woning wilde coördineren omdat hij daarvoor zelf onvoldoende deskundig was en daar evenmin tijd voor had. Hoofdverdachte heeft dat verzoek geaccepteerd en heeft voor de coördinatie van de verdere bouw van de woning gezorgd.

Verdachte heeft hoofdverdachte gevraagd of hoofdverdachte voor de door hem te verrichten werkzaamheden een vergoeding moest hebben. Hoofdverdachte heeft verdachte gezegd dat hij dat niet hoefde. Verdachte moest hoofdverdachte €22.000 voor de bouwkosten betalen; hij heeft dat deels giraal en deels contant betaald.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte op het moment dat hij accepteerde dat hoofdverdachte om niet de coördinatie van de werkzaamheden voor de verder bouw van zijn woning op zich nam en zorgde voor de betaling van (gereduceerde) bouwkosten, hij een gift – als bedoeld in artikel 363 Sr – van hoofdverdachte heeft geaccepteerd. Hoewel verdachte heeft verklaard de werkzaamheden van hoofdverdachte als een vriendendienst te beschouwen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door het op deze weinig transparante wijze in zee gaan met hoofdverdachte, zichzelf, als leidinggevende, in een voor de toekomst kwetsbare positie jegens hoofdverdachte heeft gebracht. Verdachte had door het aannemen van de dienst van de hoofdverdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat de dienst de strekking kon hebben om hem (verdachte) (ooit) te bewegen tot een bepaalde ambtshandeling, of het nalaten daarvan. De rechtbank betrekt daarbij ook dat verdachte wist dat hoofdverdachte de voor de bouw benodigde materialen met “korting” (zonder BTW) kon krijgen, én dat verdachte hoofdverdachte een deel giraal en een deel contant heeft betaald zonder daarvoor facturen van de door hoofdverdachte gecoördineerde werkzaamheden te ontvangen dan wel te vragen.

Dat een door hoofdverdachte verlangde concrete tegenprestatie (nog) niet aantoonbaar heeft plaatsgevonden, doet hieraan niet af. Verdachte heeft zich door te handelen zoals hij heeft gedaan, zodanig kwetsbaar gemaakt in zijn relatie met hoofdverdachte dat hij redelijkerwijs moest vermoeden dat hoofdverdachte om niet diensten verleende, teneinde hem, verdachte, te bewegen om in zijn bediening als leidinggevende iets te doen of na te laten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tegenprestatie van hoofdverdachte zijn grond zou vinden in het verleden, namelijk in de omstandigheid dat verdachte in september 2011 in een tegen hoofdverdachte als zijn ondergeschikte, ingediende klacht en de daarbij horende kwestie niet de vereiste vervolgacties heeft ondernomen, zodat geen nader onderzoek is gedaan naar de gestelde gedragingen van hoofdverdachte. Volgens de officier van justitie heeft hoofdverdachte als tegenprestatie daarvoor om niet zijn hulp aangeboden bij de verdere bouw van de woning van verdachte vanaf december 2012. De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen concreet bewijs bevat op grond waarvan buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat tussen beide gebeurtenissen een causaal verband bestond. Zoals hiervoor overwogen is dat echter voor bewezenverklaring van passieve omkoping ook niet vereist.

De rechtbank is verder van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier niet bewezen kan worden dat betaling van de in de tenlastelegging vermelde facturen door de RuG in opdracht, of met medeweten van verdachte is gedaan, zodat de rechtbank verdachte van dit onderdeel zal vrijspreken.

De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen, nu zij evenmin bewezen acht dat verdachte het bewezenverklaarde samen met een of meer anderen heeft begaan.

Bewezenverklaring

  • als ambtenaar een dienst aannemen, redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend en aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten, en

  • als ambtenaar een dienst aannemen, redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend en aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten.

Strafoplegging

  • taakstraf van 100 uur

De vordering van de benadeelde partij

De Rijksuniversiteit Groningen (RuG) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van €1.349.447,35. De gevorderde materiële schade bestaat onder meer uit de volgende posten:

  • Hoffmann Bedrijfsrecherche €154.867,90;

  • PWC €19.261,87

  • Deloitte €30.870,13;

  • Plas & Bossinade €2.786,45;

  • Geleden financieel nadeel €1.141.661.

De RuG heeft daarbij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de RuG in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat tussen het handelen van verdachte en de door de RuG gestelde schade onvoldoende causaal verband bestaat.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert. De vordering is eerst op de zittingsdag door de verdediging ontvangen, terwijl de vordering al op 1 maart 2016 in de zaken van de medeverdachten is ingediend. Bovendien is de vordering niet gespecificeerd op verdachte en weinig onderbouwd. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat, gelet op de bepleitte vrijspraak, de vordering moet worden afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er geen causaal verband is tussen het bewezenverklaarde feit en de door de RuG gevorderde schade. De benadeelde partij zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF