Veroordeling voor niet-ambtelijke omkoping, overwegingen over verjaring art. 328ter Sr

Rechtbank Amsterdam 13 juni 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4232

Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan niet-ambtelijke omkoping van medeverdachte, medewerker bij Stichting Espria en/of Stichting GGZ Drenthe. Verdachte heeft aldus op ontoelaatbare wijze samen met de medeverdachte de integriteit van de processen bij Stichting Espria geschaad. In totaal is een bedrag van €310.891 met deze omkoping gemoeid. Verdachte heeft samen met medeverdachte valse leningsovereenkomsten opgesteld en valse facturen doen opmaken en daarvan gebruik gemaakt en het zo doen voorkomen of leningen waren verstrekt en werkzaamheden werden verricht.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt gesteld dat de verjaring is gestuit en dat zij ontvankelijk is in haar vervolging.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de gedane giften moet worden gekeken naar de data waarop die giften zijn gedaan en dat de laatste gift is gedaan op 10 mei 2012, waardoor deze feiten zijn verjaard.

De rechtbank stelt voorop dat het strafmaximum van niet-ambtelijke omkoping, zoals strafbaar gesteld in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), ten tijde van de tenlastegelegde periode een aantal keer is gewijzigd.

Van 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2010 gold een strafmaximum van een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. Van 1 april 2010 tot en met 30 juni 2014 gold een strafmaximum van een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Op 1 januari 2015 is het strafmaximum verhoogd naar een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Op grond van artikel 70 lid 1 sub 2 Sr geldt een verjaringstermijn van zes jaren, nu het strafmaximum in de tenlastegelegde periode minder was dan drie jaren, namelijk ten hoogste één tot twee jaren gevangenisstraf. Per 1 januari 2015 is de verjaringstermijn verhoogd naar twaalf jaren, omdat het strafmaximum per die datum is verhoogd naar vier jaren gevangenisstraf.

Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (Hoge Raad 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998). Dit geldt ook als de verlenging van de verjaringstermijn niet het gevolg is van een wijziging van de regels met betrekking tot de verjaringsregels, maar van de onderliggende strafbepaling (Hoge Raad 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1308).

De onder 1 tenlastegelegde pleegperiode ving aan op 1 januari 2010. De rechtbank neemt deze datum als uitgangspunt voor de verjaring. Gelet op de verjaringstermijn die gold vóór 1 januari 2015 zou verjaring zijn voltooid op 31 december 2016. Op 1 januari 2015, toen het nieuwe strafmaximum is ingevoerd, was de oorspronkelijke verjaringstermijn van zes jaren dus nog niet voltooid, zodat de nieuwe verjaringstermijn is gaan gelden en de feiten (behoudens stuiting) pas verjaren op 31 december 2021, als 1 januari 2010 als begindatum wordt genomen. Nu het onder 1 tenlastegelegde nog niet is verjaard, komt de rechtbank niet toe aan het eventuele beroep op stuiting. Het verweer van de raadsvrouw wordt, met verwijzing naar het bovenstaande, verworpen. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Standpunt OM

De officier van justitie heeft – overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

Ten aanzien van de tenlastegelegde feiten heeft zij uiteengezet dat dat medeverdachte (hierna: medeverdachte) en verdachte hebben gehandeld naar een tussen hun vooropgezet plan. Op grond van dat plan is verdachte een opdracht gegund, hebben zij gezamenlijk valse facturen en overeenkomsten (feit 2) opgemaakt en heeft medeverdachte als beloning meegedeeld in de door verdachte gemaakte winst. Daarnaast heeft verdachte zich met naam 1 (verder: naam 1) schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door vals facturen op te maken (feit 3). Ten aanzien van feit 4 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, wegens onvoldoende bewijs.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – overeenkomstig haar op schrift gestelde pleitnotities – primair verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde.

Zij bestrijdt dat er sprake is van een tussen verdachte en medeverdachte vooropgezet plan en dat medeverdachte niet het belang van zijn werkgever verdedigde, wat moet leiden tot een vrijspraak van de niet ambtelijke omkoping (feit 1). Indien er wel sprake is van niet ambtelijke omkoping dan geldt dat slechts voor de giften tot een totaal van 203.910 euro. De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van de feiten 2 en 3, met uitzondering van een vijftal facturen (feit 2) en één factuur (feit 3), aan het oordeel van de rechtbank. Vanwege onvoldoende bewijs dient verdachte volgens de raadsvrouw te worden vrijgesproken van feit 4.

Feiten

Feit 1

Verdachte heeft op 5 april 2007 zijn eenmanszaak, bedrijfsnaam 1 opgericht en één dag later is de eenmanszaak van medeverdachte, bedrijfsnaam 2 (verder: bedrijfsnaam 2), opgericht. De onderneming bedrijfsnaam 1 heeft als startdatum 1 januari 2009 met verdachte als enige bestuurder. Hij was de uiteindelijke belanghebbende van dit bedrijf.

Op 9 december 2009 is tussen opdrachtgever Evean Groep (later opgegaan in Stichting Espria) en de leverancier bedrijfsnaam 1 een overeenkomst tot stand gekomen, namelijk het ‘inkoopverbetertraject’. Dit project zou aanvangen op 4 januari 2010. De overeenkomst is getekend door vertegenwoordigers van Stichting Evean Groep, Stichting Espria en verdachte namens bedrijfsnaam 1.

Sinds 1 januari 2010 is Stichting GGZ Drenthe een zelfstandige werkmaatschappij als onderdeel van Stichting Espria. medeverdachte werkte in de periode van maart 2001 tot en met januari 2010 als directeur Facilitair Bedrijf bij Stichting GGZ Drenthe en van januari 2010 tot en met 2013 als directeur inkoop bij Stichting Espria. Gedurende de periode 1 januari 2008 tot en met 31 januari 2013 ontving medeverdachte zijn loon van Stichting GGZ Drenthe, maar hij viel onder de leiding en verantwoordelijkheid van Stichting Espria. Medeverdachte was verantwoordelijk voor de inkoop van Stichting Espria, voor het inkoopverbetertraject en het contact inzake dat traject met bedrijfsnaam 1.

Medeverdachte was nauw betrokken bij de aanbesteding van het inkoopverbetertraject en heeft verdachte voorgedragen. Daarnaast was hij binnen de Stichting Espria verantwoordelijk voor het accorderen van facturen tot een bepaald bedrag. Uit e-mailberichten tussen verdachte en medeverdachte blijkt dat medeverdachte kon helpen bij het verkrijgen van variabele vergoedingen voor bedrijfsnaam 1.

Op de computer die in de woning van verdachte is aangetroffen is correspondentie gevonden tussen verdachte en medeverdachte, waarbij door middel van een Excel-bestand werd bijgehouden wat het tegoed van medeverdachte was ten opzichte van verdachte met betrekking tot de inkomsten uit het inkoopverbetertraject. Medeverdachte heeft in ieder geval een totaal van €310.891 ontvangen. Voor een aantal van de betalingen werd een factuur door bedrijfsnaam 2 verzonden. Het geld is door medeverdachte onder meer ontvangen via giraal en contant betaalde facturen door bedrijfsnaam 1. Medeverdachte heeft daarnaast een aantal contante betalingen gekregen van verdachte.

GGZ Drenthe en Espria waren niet op de hoogte van nevenwerkzaamheden en het ontvangen van beloningen/provisies van medeverdachte. Nevenwerkzaamheden dienden vermeld te worden.


Feit 2

In de woning van medeverdachte is een uitgeprinte leningsovereenkomst gevonden. Het betreft een leningsovereenkomst tussen medeverdachte, schuldenaar, en verdachte, schuldeiser, met een tweetal dateringen, te weten; 31 augustus 2011 (datum bovenaan de leningsovereenkomst) en 9 augustus 2010 (datum onderaan de leningsovereenkomst) voor een geleend geldbedrag van 4.000 euro.

Daarnaast is een soortgelijke leningsovereenkomst van 9 augustus 2010 aangetroffen voor 16.000 euro.

De volgende facturen op naam van bedrijfsnaam 2 gericht aan bedrijfsnaam 1, t.a.v. de heer verdachte zijn aangetroffen:

- een factuur met nummer 20111301 van 3 november 2010.

- een factuur met nummer 20112306 van 23 juni 2011.

- een factuur met nummer 20112108 van 21 augustus 2011.

- een factuur met nummer 20111109 van 11 september 2011.

- een factuur met nummer 20111105 van 5 oktober 2011.

- een factuur met nummer 20110512 van 5 december 2011.

- een factuur van 4 januari 2012.

- een factuur met nummer 20122401 van 24 januari 2012.

- een factuur met nummer 20260212 van 26 februari 2012.

Daarnaast nog een factuur met nummer 2011105 van 1 mei 2011 van bedrijfsnaam 3, gericht aan bedrijfsnaam 1, t.a.v. de heer verdachte.

Verdachte heeft in een schriftelijk verklaring van 8 mei 2019 bekend dat de (bovenstaande) geschriften valselijk zijn opgemaakt om de winst met medeverdachte te verdelen en dat zij dat samen hadden afgesproken. Ter terechtzitting van 9 mei 2019 heeft verdachte verklaard bij zijn schriftelijke verklaring te blijven en bevestigd dat bovengenoemde facturen en leningsovereenkomsten valselijk en in samenspraak met medeverdachte zijn opgemaakt.


Feit 3

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte is de administratie van bedrijfsnaam 1 aangetroffen. Daarin bevonden zich de volgende facturen van HC Consulting SARL dan wel Harry INC. BVABA, gericht aan bedrijfsnaam 1 :

- een factuur met nummer 191 van 31 december 2011.

- een factuur met nummer 194 van 21 maart 2011.

- een factuur met nummer 202 van 14 juni 2011.

- een factuur met nummer 89 van 1 februari 2011.

- een factuur met nummer 91 van 14 juni 2011.

Als bijlage bij een e-mail van naam 1 en als hardcopy bij de doorzoeking van de woning van verdachte werd een factuur met nummer 204 van 26 juli 2011 aangetroffen.

Verdachte heeft in een schriftelijk verklaring van 8 mei 2019 bekend dat de (bovenstaande) geschriften valselijk zijn opgemaakt om zo minder belasting te hoeven afdragen en dat deze werkwijze samen met naam 1 is overeengekomen.Dit blijkt ook uit e-mailcorrespondentie tussen verdachte en naam 1.Ter terechtzitting van 9 mei 2019 heeft verdachte verklaard bij zijn schriftelijke te blijven en bevestigd dat bovengenoemde facturen in samenspraak met naam 1 valselijk zijn opgemaakt.


Het oordeel van de rechtbank


Feit 1: niet-ambtelijke omkoping

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is van niet-ambtelijke omkoping van medeverdachte.

De rechtbank stelt vast:

- dat via girale betalingen aan bedrijfsnaam 2 en doormiddel van contante betalingen medeverdachte als een werknemer van de Stichting Espria geldbedragen heeft ontvangen van bedrijfsnaam 1 en daarmee van verdachte;

- dat uit de door medeverdachte en verdachte bedachte werkwijze blijkt dat die betalingen in direct verband hebben gestaan met een tegenprestatie die medeverdachte als werknemer bij de Stichting Espria moest verrichten.

In het bijzonder overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking medeverdachte was in de tenlastegelegde periode in dienst bij Stichting GGZ Drenthe. Vanwege praktische redenen stond hij daar op de loonlijst, maar hij viel onder de leiding en verantwoordelijkheid van Stichting Espria. Medeverdachte was daarmee ten tijde van het tenlastegelegde in dienstbetrekking.

Een gift of belofte

Op basis van de valse facturen en geldleningsovereenkomsten wordt vastgesteld dat medeverdachte het overgrote deel van de geldbedragen heeft verkregen zonder dat daar reële werkzaamheden door bedrijfsnaam 2 tegenover stonden, dan wel dat er sprake was van een lening als basis van de aan medeverdachte uitbetaalde geldbedragen. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de door medeverdachte ontvangen geldbedragen moeten worden aangemerkt als gift zoals bedoeld in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht.

Naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende bewezen dat de betalingen hebben plaatsgevonden met als doel dat medeverdachte in zijn dienstbetrekking bij Stichting GGZ Drenthe / Stichting Espria iets heeft gedaan. Daarbij gaat het om inspanningen zodat bedrijfsnaam 1 de opdracht tot het inkoopverbetertraject zou verkrijgen, het accorderen van facturen met daarop meer uren dan daadwerkelijk zijn verricht en het helpen om de variabele beloningen te verkrijgen.

In strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever

“Bij het bestanddeel de goede trouw geldt dat van essentieel belang is, of de ondergeschikte heeft gezwegen waar hij naar objectieve maatstaf tot spreken verplicht was geweest. Niet zijn goede trouw, maar de goede trouw is doorslaggevend. Deze strenge eis noodzaakt de ondergeschikte om, in geval van twijfel aan de toelaatbaarheid van de gift of belofte, zijn principaal te raadplegen” (Kamerstukken II 1966/67, 8437, nr. 6, p. 3).

Naar het oordeel van de rechtbank had medeverdachte de ontvangsten van geldbedragen aan Stichting Espria / GGZ Drenthe moeten melden en door dit na te laten heeft hij in strijd met de goede trouw jegens hen gehandeld. Medeverdachte heeft immers in strijd met de belangen van zijn werkgever gehandeld. Gelet op het dossier en de wijze waarop sprake is van een door verdachte en medeverdachte vooropgezet plan, met betalingen van grote bedragen aan medeverdachte, heeft verdachte op zijn minst redelijkerwijs moeten aannemen dat medeverdachte zijn handelingen zou verzwijgen tegenover zijn werkgever. Er is van de zijde van verdachte dan ook sprake van actieve omkoping.

Verklaring verdachte

De verklaring van verdachte, inhoudende dat een deel van de verrichte betalingen aan medeverdachte voortvloeit uit een oude afspraak over winstdeling in een ander project, acht de rechtbank onaannemelijk. De rechtbank acht het namelijk erg ongeloofwaardig dat verdachte vrijwillig de helft van zijn gemaakte winst, meerdere tonnen aan euro’s, aan medeverdachte zou betalen alleen omdat zij kennelijk in het verleden afspraken zouden hebben gemaakt die niet zouden zijn nagekomen. Uit al het vorenstaande volgt dat het niet anders kan dan dat er door medeverdachte beloften ten voordele van bedrijfsnaam 1 of verdachte zijn gedaan en dat medeverdachte daarvoor beloond werd.

Conclusie

De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde feit – niet-ambtelijke omkoping – bewezen.


Feit 2: valsheid in geschrift

Partiële vrijspraak

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de van de facturen van bedrijfsnaam 2 gericht aan bedrijfsnaam 1 en/of verdachte van 17 januari 2011 (DOC-020), 23 januari 2011 (DOC-021), 17 maart 2011 (DOC-022) en 4 november 2011 (DOC-029) alsmede voor de factuur van bedrijfsnaam 4 gericht aan bedrijfsnaam 1 en/of verdachte van 6 juni 2011 (DOC-024).

De rechtbank is ten aanzien van voornoemde facturen van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat de werkzaamheden die de grondslag vormen voor de gefactureerde bedragen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat de facturen valselijk zijn opgemaakt en zal verdachte ten aanzien van die onderdelen worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank is – op grond van de in het dossier aanwezige leningsovereenkomsten en facturen en de bekennende verklaring van verdachte – van oordeel dat de overige in de tenlastelegging genoemde geschriften vals door verdachte en medeverdachte zijn opgemaakt met het oogmerk om die documenten als echt en onvervalst te gebruiken en acht daarmee het onder 2 tenlastegelegde feit bewezen.


Feit 3: valsheid in geschrift

Partiële vrijspraak

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de van de factuur van HC Consulting SARL van 18 april 2011(DOC-144).

De rechtbank is ten aanzien van voornoemde factuur van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat de werkzaamheden die de grondslag vormen voor het gefactureerde bedrag daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat de factuur valselijk is opgemaakt en zal verdachte ten aanzien van dat onderdeel partieel worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank is – op grond van de in het dossier aanwezige facturen en de bekennende verklaring van verdachte – van oordeel dat de overige in de tenlastelegging genoemde geschriften vals door verdachte en naam 1 zijn opgemaakt met het oogmerk om die documenten als echt en onvervalst te gebruiken en acht daarmee het onder feit 3 tenlastegelegde bewezen.


Feit 4: valsheid in geschrift

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat niet kan worden bewezen wat onder 4 is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift doet van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze handelt in strijd met zijn plicht, meermalen gepleegd;

  • Feit 2 en 3: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

  • Gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 3 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF