Ontneming omkopingsmiddelen ondanks verjaring niet-ambtelijke omkoping

Rechtbank Midden-Nederland 10 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3173

Verdachte is veroordeeld wegens:

  • feiten 1 en 2: telkens: witwassen, meermalen gepleegd;
  • feit 3: medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen;

Door de officier van justitie is een ontnemingsvordering aanhangig gemaakt voor een bedrag van € 12.484.141,00.
 

Oordeel van de rechtbank
 

Ontnemen bij witwassen

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat, volgens de jurisprudentie, het strafbare feit witwassen niet zonder meer wederrechtelijk voordeel genereert. Op grond van deze jurisprudentie dient in ieder geval het ten laste gelegde en bewezenverklaarde geldbedrag dat door veroordeelde is witgewassen bij de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel buiten beschouwing te blijven.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY5217) geoordeeld dat de opvatting dat geldbedragen die een veroordeelde voorhanden heeft reeds wederrechtelijk verkregen voordeel vormen, omdat zij voorwerp zijn van het bewezen verklaarde witwassen, niet juist is. Dat geldbedragen vermogensbestanddelen vormen die veroordeelde tot voordeel (kunnen) strekken, vormt, volgens de Hoge Raad nog niet een toereikende motivering.

De rechtbank stelt op grond van het vonnis in de strafzaak vast dat veroordeelde een groot geldbedrag voorhanden heeft gehad dat gedeeltelijk van misdrijf, te weten niet-ambtelijke omkoping, afkomstig was. Daarnaast heeft veroordeelde een deel van dit bedrag uitgegeven en heeft hij geldbedragen via een andere rekening laten overmaken naar zijn eigen (Nederlandse) bankrekening. Veroordeelde heeft op deze wijze geldbedragen witgewassen en de criminele herkomst van deze geldbedragen verhuld. Dit kan, naar het oordeel van de rechtbank, echter niet tot de conclusie leiden dat deze geldbedragen zelf ook als het wederrechtelijk voordeel van witwassen kunnen worden aangemerkt. Het voordeel dat veroordeelde heeft verkregen door de ontvangst van de geldbedragen is immers niet het gevolg van het witwassen, maar van het gronddelict, te weten de niet-ambtelijke omkoping. Om die reden kunnen de bewezen verklaarde geldbedragen niet als het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het witwassen van veroordeelde worden ontnomen. De rechtbank volgt hierin het verweer van de raadsvrouw.
 

Ontneming van voordeel uit andere strafbare feiten

De rechtbank stelt vast dat door de FIOD onderzoek is gedaan naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde over de onderzoeksperiode van 1 maart 1993 tot en met eind 2013. Daarbij is van belang dat artikel 36e Wetboek van Strafrecht (Sr), waarop een ontnemingsmaatregel wordt gebaseerd, in 2011 ingrijpend is gewijzigd. Sinds de wetswijziging van 1 juli 2011 zijn -kort gezegd- de mogelijkheden om wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen bij een veroordeelde verruimd. Nu dit een wetswijziging is ten nadele van veroordeelde zal de rechtbank artikel 36e Sr toepassen zoals dit artikel luidde ten tijde van de aanvang van de onderzoeksperiode, te weten op 1 maart 1993.

De rechtbank stelt vast dat de ontnemingsmaatregel tegen verdachte kan worden gebaseerd op het derde lid van artikel 36e (oud) Sr.

Veroordeelde is door de rechtbank veroordeeld voor kort gezegd- witwassen (artikel 420bis Sr) en gewoontewitwassen (artikel 420ter Sr). Voor beide strafbare feiten kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Ook is door de rechter-commissaris op 19 maart 2012 een machtiging verleend om tegen veroordeelde een strafrechtelijk financieel onderzoek in te stellen. De rechtbank dient, op basis van het derde lid van artikel 36e (oud) Sr, te beoordelen of gelet op dit onderzoek “aannemelijk is dat ook andere strafbare feiten dan het bewezen verklaarde witwassen er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen”.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 10 juli 2018 witwassen zoals ten laste gelegd bewezen verklaard, maar tevens overwogen dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan (de niet ten laste gelegde) niet-ambtelijke omkoping (artikel 328ter Sr) door aan A budgetinformatie te verschaffen waarover hij als bestuurder bij bedrijfsnaam beschikte en hiervoor een vergoeding van A te ontvangen. De rechtbank heeft overwogen dat veroordeelde in de periode van 19 januari 1999 tot en met 7 november 2002 in totaal een bedrag van $ 2.451.177 op zijn Zwitserse rekening heeft ontvangen dat afkomstig is van niet-ambtelijke omkoping. Deze geldbedragen kunnen daarom worden aangemerkt als baten uit een door veroordeelde gepleegd ander strafbaar feit, te weten niet-ambtelijke omkoping. Op grond hiervan kunnen deze geldbedragen ook aan veroordeelde worden ontnomen. Dat de niet-ambtelijke omkoping verjaard is, staat daar niet aan in de weg (zie o.a. Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2307).
 

Vervolgprofijt

Veroordeelde heeft in een door hemzelf opgestelde notitie, Toelichting vermogensopbouw tot 2000, verklaard dat hij een rekening in Zwitserland had waar hij een aanmerkelijk hoger rendement kon halen dan in Nederland. In zijn verhoor van 27 november 2012 heeft veroordeelde hierover verklaard dat je bij een goede beleggingspolitiek een rendement kon halen van 6 of 7 procent per jaar. In zijn volgende verhoor heeft veroordeelde verklaard dat je vermogen in die tijd verdubbelde, ook als je niets deed. Het rendement van normale beleggingen lag tussen de 8 en 9 procent, maar er waren jaren bij dat het rendement 13 of 14 procent bedroeg.

Veroordeelde heeft bij de hiervoor genoemde notitie Toelichting vermogensopbouw tot 2000 twee berekeningen toegevoegd van deskundigen, waarin wordt berekend dat het bedrag dat door veroordeelde zou zijn gestort op zijn Zwitserse rekening, Hfl. 3.375.000, door rendement zou zijn opgelopen in 2000 tot een bedrag tussen de € 9.884.416 en € 13.694.627 (volgens drs. Van Wakeren en mr. Tulp) dan wel een bedrag tussen de € 8.398.253 en € 13.338.364 (volgens de heer Rubingh).

Een exacte berekening van het met de ontvangen betalingen gegenereerde rendement is om meerdere redenen onmogelijk gebleken. Wegens het verstrijken van de bewaartermijn kon de Zwitserse bank, waar veroordeelde zijn nummerrekeningen aanhield, niet meer alle bankschriften vanaf 1993 aanleveren. Daarnaast heeft veroordeelde zijn geld op de Zwitserse nummerrekening in de loop der jaren dusdanig actief belegd dat het praktisch onmogelijk is om de rendementen van al die beleggingstransacties te reconstrueren. Tevens is tijdens het onderzoek gebleken dat veroordeelde zelf ook niet (meer) beschikt over een volledige administratie die inzicht kan bieden in deze behaalde rendementen.

Overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat “vervolgprofijt”, zoals rente en beleggingen, uit wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen. Daarbij geldt dat slechts vervolgprofijt ontnomen kan worden als dat profijt ook daadwerkelijk door de veroordeelde is genoten. Dat dient te worden gebaseerd op wettige bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank -zo nodig- schattenderwijs kan bepalen hoe groot dit profijt in het specifieke geval is geweest.

De rechtbank overweegt dat veroordeelde zowel bij zijn verhoren in 2012 als bij de opstelling van zijn notitie in 2013 (DM-136) uitgebreid heeft verklaard over zijn vermogensopbouw. Daarbij heeft veroordeelde nadrukkelijk verklaard dat hij zijn vermogen belegde en dat de rendementen tot 2000 soms erg hoog (tot wel 13 of 14 procent) waren. De rechtbank acht op basis van deze bewijsmiddelen voldoende aannemelijk dat veroordeelde ook daadwerkelijk vervolgprofijt heeft genoten. Nu veroordeelde specifiek heeft verklaard over de rendementen die hij kreeg tot en met 2000 en het dossier ook geen bewijs bevat dat er na 2000 nog steeds sprake is geweest van beleggingen, zal de rechtbank het vervolgprofijt beperken tot de periode van 1995 tot en met 2000.

Uit de stukken in het dossier kan niet worden opgemaakt welk rendement veroordeelde heeft behaald in de jaren 1995 tot en met 2000. Veroordeelde heeft in zijn berekeningen aangesloten bij drie verschillende indices, namelijk de "MSCI World" (mix van internationale aandelen), "US 10y T.-bonds" (Amerikaanse staatsobligaties met loopduur van 10 jaar) en "S&P 500" (mix van 500 Amerikaanse aandelen). De rechtbank zal, in het voordeel van veroordeelde, uitgaan van een jaarrendement van 4 procent. Dit percentage is lager dan de drie hiervoor genoemde indices en sluit aan bij het rendement dat door de Nederlandse Belastingdienst wordt gehanteerd bij de berekening van het vermogens-rendement in Box 3 als onderdeel van de Inkomstenbelasting.

In de hiernavolgende berekening zal de rechtbank berekenen wat de door veroordeelde ontvangen bedragen in de periode van 1 maart 1995 tot en met 31 december 2000 aan rendement hebben gegenereerd. Bij deze berekening zal de rechtbank, in het voordeel van veroordeelde, uitgaan van de fictie dat alle (omkopings)betalingen op 31 december van het betreffende jaar zijn ontvangen.

Conclusie

De rechtbank constateert op basis van de hiervoor weergegeven berekening dat veroordeelde over de omkopingsbetalingen die hij in de periode van 1995 tot en met 2000 heeft ontvangen tenminste een rendement heeft behaald van € 377.743. De rechtbank merkt dit aan als vervolgprofijt en zal dit bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekken.
 

Kosten

Op grond van de stukken in het dossier is niet aannemelijk geworden dat veroordeelde kosten heeft gehad die op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moeten worden gebracht. Ook de raadsvrouw van veroordeelde heeft niet bepleit dat er kosten zijn gemaakt.

 

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven berekeningen vast dat veroordeelde in de periode van 1995 tot en met 1998 een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gehad van € 2.467.869 en dat zijn voordeel in de periode 1999 tot en met 2002 € 2.575.169 bedroeg. Ten slotte heeft veroordeelde vervolgprofijt gehad van in totaal € 377.742. Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt € 5.420.781.
 

Redelijke termijn

De rechtbank heeft in deze zaak onderzocht of de redelijke termijn is overschreden en of dit consequenties zou moeten hebben voor de hoogte van het ontnemingsbedrag.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008 enkele uitgangspunten gegeven voor het berekenen van de redelijke termijn in ontnemingszaken (ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Als moment van aanvang van deze termijn wordt het volgende genoemd:

a.    het moment waarop de ontnemingsvordering wordt aangekondigd;

b.    het moment dat veroordeelde op de hoogte raakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld;

c.     het moment waarop de ontnemingsvordering aan veroordeelde is betekend.

Tegen veroordeelde is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld. De rechter-commissaris heeft op 19 maart 2012 de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek verleend. Uit het dossier wordt niet duidelijk wanneer deze machtiging aan veroordeelde is betekend. De rechtbank zal daarom -in het voordeel van veroordeelde- uitgaan van de datum waarop de machtiging door de rechter-commissaris is verleend als aanvangsmoment van de redelijke termijn. Sinds die datum tot de uitspraak is een periode van ruim zes jaar verstreken. De redelijke termijn is daarmee met ruim vier jaar overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de betalingsverplichting te verminderen met een percentage van 5 procent.

De rechtbank vermindert het totaal door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan de Staat dient te worden betaald met 5 procent, zodat dit wordt vastgesteld op (€ 5.420.781 * 0,95) € 5.149.742.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF