Vrijspraak gemeenteraadslid Heerlen: geen sprake van schending van zijn ambtsgeheim vanwege vervallen verplichting tot geheimhouding

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1789

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij een geheim dat hij als gemeenteraadslid van Heerlen verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden door op 8 mei 2013 bepaalde informatie te publiceren op de website van de politieke partij van verdachte, te weten financiële informatie afkomstig uit bescheiden die onder oplegging van geheimhouding ter inzage waren gelegd voor leden van de gemeenteraad en/of financiële informatie afkomstig van een derde, van welke informatie verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze overeenkwam met informatie waarop geheimhouding rustte, te weten informatie uit bescheiden die onder oplegging van geheimhouding ter inzage waren gelegd voor leden van de gemeenteraad.
 

Het onderzoeksthema

Bestanddeel van het in art. 272 lid 1 Sr strafbaar gestelde misdrijf is onder meer dat sprake is van een geheim dat de verdachte verplicht is te bewaren. De strafrechter kan slechts tot een veroordeling komen indien dit bestanddeel vaststaat.

Het hof ziet aanleiding om te onderzoeken of de verdachte op 8 mei 2013 een geheimhoudingsplicht had met betrekking tot de door hem op de website van de politieke partij van verdachte gepubliceerde informatie. Hiervoor is het nodig om te onderzoeken of de gemeentelijke besluitvorming met betrekking tot de geheimhouding voldoet aan de wettelijke regeling dienaangaande in de Gemeentewet.

Besluitvorming met betrekking tot de geheimhouding

Het hof stelt vast dat de besluitvorming met betrekking tot de geheimhouding als volgt is verlopen:

  • Op 19 februari 2013 hebben Burgemeester en Wethouders (B&W/het college) van Heerlen besloten om de raad te informeren onder meer over het huisvesten van het kantoorpersoneel van het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg (WOZL) op één locatie in het voormalige CBS-pand te Heerlen. Tevens heeft het college besloten – kennelijk op de voet van art. 25 lid 2 Gemeentewet – de geheimhouding op te leggen voor de duur van 5 jaren ten aanzien van onder meer een bijlage genaamd “besparing” in huisvesting, alsmede om deze bijlage onder oplegging van geheimhouding ter inzage te leggen voor de leden van de raad.
  • Op 4 maart is de “raadsinformatiebrief februari 2013” per e-mail verzonden aan de leden van de raad. In deze brief, die onder meer betrekking heeft op het huisvesten van het kantoorpersoneel van WOZL in het voormalige CBS-pand, wordt beargumenteerd waarom bepaalde informatie geheim moet blijven. Aan het slot wordt vermeld: “Bijlagen. Onder geheimhouding ter inzage bij de griffie: (…) een overzicht van de besparing vanwege huisvesting van het kantoorpersoneel op een unilocatie.”
  • De stukken ten aanzien waarvan geheimhouding was opgelegd, hebben vanaf 4 maart 2013 ter inzage gelegen bij de griffier. Blijkens de aantekening op het schutblad en blijkens mondelinge mededeling van de griffier heeft niemand deze stukken ingezien.
  • Op 12 maart 2013 vindt een raadsvergadering plaats, waarop de onderhavige kwestie niet is geagendeerd omdat dit volgens de gemeente Heerlen vanwege de voor die vergadering geldende cyclus (van het verzenden van stukken en commissievergaderingen voorafgaande aan de raadsvergadering) niet meer mogelijk was.
  • Op 27 maart 2013 wordt een voorstel aan de raad geformuleerd voor de raadsvergadering van 9 april 2013, met als onderwerp “Het kennis nemen van de ingekomen stukken en van de wijze van afhandeling ervan”, registratienummer 2013/5247. Op de laatste bladzijde van dit vergaderstuk wordt vermeld, onder het hoofd “raadsinformatiebrieven”, onder 3 “Raadsinformatiebrief d.d. 4 maart 2013 inzake de WOZL van februari 2013 (…) (ter kennisname).” Hierbij wordt niet verwezen naar het besluit van het college om geheimhouding op te leggen.
  • Op 9 april 2013 vindt een vergadering van de gemeenteraad plaats. Agendapunt 4 van deze vergadering was “Het kennis nemen van de ingekomen stukken en van de wijze van afhandeling ervan. (2013/5247)”. Blijkens de notulen van deze vergadering (blz. 11-12) is bij de bespreking van dit agendapunt de geheimhouding niet ter sprake geweest. Tijdens deze vergadering heeft de raad het volgende besluit genomen: “Besluit unaniem. Overeenkomstig het voorstel voor kennisgeving aangenomen.”

Gedragingen van de verdachte

De verdachte, lid van de gemeenteraad, heeft op 23 februari 2013 op de website van de politieke partij van verdachte een bericht geplaatst onder de kop “B&W Heerlen houdt kantoorkosten Wozl geheim”. Hierin wordt onder meer geschreven: “Tijdens de raadsvergadering van 5 februari jl. gaf de wethouder n.a.v. vragen van politieke partij van verdachte aan dat het om een jaarlijkse besparing (op kantoren) van ruim 300.000 (!) euro ging. (…) Tijdens de wekelijkse collegevergadering van dinsdag jl. besloten burgemeester en wethouders (…) om dit financiële voordeel – voor de duur van 5 jaar – geheim te houden.”

Op 8 mei 2013 heeft de verdachte op de website van de politieke partij van verdachte een bericht geplaatst onder de kop “Jaarlijkse (huur)inkomsten voormalig CBS gebouw lijken ’t dubbele van de koopprijs.” In dit bericht wordt geschreven “Tegen een kennelijk tarief van 55 euro per vierkante meter kantoorruimte kan Wozl in het voormalige CBS gebouw terecht.” Het genoemde tarief per vierkante meter kantoorruimte wordt genoemd in de bijlage “besparing” ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd door het college van burgemeester en wethouders.

De verdachte heeft verklaard dat hij deze informatie niet heeft ontleend aan de geheime bijlage, die hij nooit heeft ingezien, maar heeft gehoord van een derde die buiten het gemeentelijk apparaat staat.

Vanwege het bericht op 8 mei 2013 op de website van de politieke partij van verdachte heeft de gemeente Heerlen op 25 juni 2013 aangifte gedaan van schending van de geheimhoudingsplicht door leden van de fractie politieke partij van verdachte.

Bekrachtiging

Ingevolge art. 25 lid 3 Gemeentewet vervalt de door het college opgelegde verplichting tot geheimhouding, indien de oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering wordt bekrachtigd.

Redelijke wetsuitleg brengt mee dat onder de “eerstvolgende vergadering” van de raad wordt verstaan de eerstvolgende vergadering na het besluit van het college tot oplegging van geheimhouding waarop redelijkerwijs de kwestie van de geheimhouding kan worden geagendeerd met het oog op de bekrachtiging door de raad.

Bekrachtiging van geheimhouding als bedoeld in artikel 25 lid 3 Gemeentewet vergt een uitdrukkelijk besluit van de gemeenteraad. Dit kan worden afgeleid uit de wettelijke systematiek van de Gemeentewet, waaruit blijkt dat de raad als hoofd van de gemeente fungeert en om die reden ook in laatste instantie over kwesties zoals geheimhouding beslist. Tevens volgt het naar het oordeel van het hof uit de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In haar uitspraak van 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1809, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak overwogen:

“5.1. Indien het college met toepassing van artikel 25, tweede lid, de geheimhouding aan de raad heeft opgelegd, vervalt de geheimhouding indien de raad die geheimhouding niet in de eerstvolgende raadsvergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, bekrachtigt. Ingevolge artikel 55, derde lid, kan alleen de raad de geheimhouding opheffen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II, 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 83) blijkt dat de wetgever welbewust op deze wijze het laatste woord over de geheimhouding van aan de raad voorgelegde stukken bij hem als hoogste orgaan binnen de gemeente heeft gelegd. Naar het oordeel van de Afdeling moet hieruit worden afgeleid dat de bevoegdheid van het college om geheimhouding op te leggen van tijdelijke aard is. Nadat de raad het besluit tot bekrachtiging heeft genomen, vloeit de verplichting tot geheimhouding voort uit dat besluit en kan alleen de raad de geheimhouding opheffen. Indien het college zijn besluit tot het opleggen van geheimhouding zou kunnen herroepen en daarmee de geheimhouding ongedaan zou kunnen maken, zou dat betekenen dat het college bevoegd zou zijn de geheimhouding ongedaan te maken na de bekrachtiging waarmee die geheimhouding voor verantwoordelijkheid van de raad is gekomen. Dat zou een doorkruising met zich brengen van de na de bekrachtiging exclusief aan de raad toegekende bevoegdheid om te beslissen omtrent de opgelegde geheimhouding van de stukken. Dat strookt naar het oordeel van de Afdeling niet met de strekking van artikel 25, tweede lid, en artikel 55, derde lid, en met de bijzondere positie van de raad als hoogste orgaan zoals de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis heeft beoogd.”

Gelet op het voorgaande en bovendien gelet op de zwaarwegende belangen die met geheimhouding gemoeid zijn – een geheimhoudingsplicht uit hoofde van artikel 25 Gemeentewet betekent immers een inbreuk op het in artikel 7 van de Grondwet neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting, reden waarom de wetgever het noodzakelijk achtte dat de geheimhoudingsplicht werd neergelegd in een formeel wettelijke bepaling (Kamerstukken II, 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 83) – stelt het hof vast dat bekrachtiging van een op grond van artikel 25 lid 2 Gemeentewet door het college van burgemeester en wethouders opgelegde geheimhoudingsplicht een uitdrukkelijk besluit van de raad vergt.

Aan de raad is echter geen voorstel voor een uitdrukkelijk besluit tot bekrachtiging voorgelegd. Evenmin heeft de raad in zijn vergadering van 9 april 2013 een uitdrukkelijk besluit tot bekrachtiging van de door het college opgelegde verplichting tot geheimhouding genomen.

Het loutere ‘besluit: overeenkomstig het voorstel voor kennisgeving aangenomen’, kan niet worden gekwalificeerd als een (uitdrukkelijk) besluit tot bekrachtiging van de door het college opgelegde verplichting tot geheimhouding.

Als gevolg van het ontbreken van een besluit van de raad tot bekrachtiging, is de door het college opgelegde verplichting tot geheimhouding vervallen, ten laatste op 9 april 2013.

Derhalve zal de verdachte worden vrijgesproken van de tenlastelegging dat hij op 8 mei 2013 een geheim dat hij als gemeenteraadslid verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF