Veroordeling lasthebber van de Reclassering Nederland wegens omkoping

Rechtbank Den Haag 25 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14881

De verdachte is als huismeester werkzaam geweest bij het verzorgingstehuis van de stichting te Den Haag. Bij die instelling werden in opdracht van Reclassering Nederland vele werkstraffen uitgevoerd. De verdachte was daarbij als werkmeester betrokken. Naar aanleiding van een aangifte namens Reclassering Nederland is tegen de verdachte de verdenking gerezen dat hij een veroordeelde zijn werkstraf had laten afkopen.

Daarop is met een bevel pseudodienstverlening van de officier van justitie een opsporingsambtenaar ingezet die zich onder de naam betrokkene 2 (ook: PB 146) heeft voorgedaan als een bij stichting geplaatste werkgestrafte.
 

Ontvankelijkheid OM

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van de feiten met betrekking tot betrokkene 2 /PB 146 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu er is gehandeld in strijd met het zogenoemde Tallon-criterium. De verdachte is uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten, althans hij is gebracht tot (andere) strafbare feiten dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht.
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van uitlokking van de verdachte door betrokkene 2 /PB 146 en dat het Openbaar Ministerie derhalve ontvankelijk is in de vervolging.
 

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 126i, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, mag de opsporingsambtenaar bij de tenuitvoerlegging van het bevel (tot pseudodienstverlening) een verdachte niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

Uit het proces-verbaal van pseudodienstverlening van verbalisant PB 146 en het verhoor van PB 146 door de rechter-commissaris volgt onder meer het volgende:

  • PB 146 heeft zich voorgedaan als werkgestrafte en in die hoedanigheid op 15 maart 2016 deelgenomen aan een intakegesprek met een medewerker van de reclassering en de verdachte. Tijdens dat gesprek heeft hij - kort gezegd - kenbaar gemaakt dat hij geen tijd had om een werkstraf te verrichten en dat hij in die tijd veel geld kon verdienen. Hierbij heeft hij een aantal biljetten van €50 getoond. In een tijdens genoemd gesprek gevoerd gefingeerd telefoongesprek over de reparatie van een auto, heeft hij meermalen “geld speelt geen rol” gezegd.
  • Na afloop van dit gesprek heeft de verdachte, buiten aanwezigheid van de reclasseringsmedewerker, tegen PB 146 woorden gezegd als: “Ik kan jou helpen en jij mij”. Op de vraag wat hij daarmee bedoelde heeft de verdachte met woorden geantwoord als: “Ik kan gewoon uren voor jou aftekenen, dat is geen probleem” en “Ik kan gewoon je uren aftekenen als jij mij mazzelt.” Op de vraag hoe zij dit zouden aanpakken heeft de verdachte geantwoord met woorden als: “Maandag hoef jij niet te komen. Ik bel jou de week daarop en dan rij jij snel langs. Ik teken voor jou af en jij mazzelt mij”.
  • De verdachte heeft PB 146 vervolgens op 4 april 2016 gebeld, welke oproep niet is beantwoord door PB 146. Diezelfde dag heeft de verdachte tweemaal een sms-bericht verzonden naar PB 146 en verzocht om hem te bellen. In de avond heeft PB 146 de verdachte gebeld en heeft de verdachte PB 146 gevraagd wanneer hij langs kon komen, zodat ze alles konden regelen. Vervolgens is een afspraak gemaakt voor 6 april 2016.
  • Op 6 april 2016 heeft de verdachte tijdens een afspraak met PB146 onder meer woorden gezegd als: “Als je mij straks mazzelt, dan moet het wel in de lift doen. Er hangen overal camera’s behalve in de lift.” De verdachte heeft vervolgens in zijn kantoorruimte een urenlijst ingevuld en PB 146 verzocht deze te tekenen bij elke dag dat hij had “gewerkt”. Toen de verdachte weg wilde lopen in de richting van de lift heeft PB 146 gevraagd “En nu”? De verdachte heeft daarop gezegd: “Geef me gewoon wat je wilt”. PB 146 heeft gezegd dat hij dit nog nooit had gedaan en dat hij geen indicatie had. Daarop hoorde hij de verdachte zeggen “Ik heb het wel vaker gedaan maar ik doe het niet bij iedereen. Na enig overleg heeft de verdachte gezegd: “Geef maar 200 euro dan.” Vervolgens liepen ze samen in de richting van de liften en zei de verdachte: “Je kan het ook nu geven want hier zijn ook geen camera’s.” PB 146 heeft daarna €200 aan de verdachte gegeven.

De rechtbank stelt vast dat PB 146 weliswaar tijdens het intakegesprek op 15 maart 2016 heeft laten blijken dat hij geen tijd had voor het uitvoeren van een werkstraf en dat hij over (veel) geld beschikte, maar dat hij op geen enkel moment uit eigener beweging concreet uitlatingen heeft gedaan of handelingen heeft verricht in de richting van het afkopen van de werkstraf. Het is juist de verdachte geweest die het initiatief heeft genomen tot het begaan van de strafbare feiten. PB 146 heeft zich beperkt tot het vragen wat de verdachte bedoelde en vervolgens hoe een en ander geregeld zou moeten worden. De vraag “en nu?” is gesteld nadat de verdachte op 15 maart 2016 al had gezegd dat hij zou aftekenen als PB 146 hem zou mazzelen, de uitvoering van de werkstraf al gestart had moeten zijn en de urenlijst op 6 april 2016 al geheel was ingevuld en afgetekend, en kan niet worden gezien als het brengen tot de strafbare feiten. Er is derhalve geen sprake van handelen in strijd met het verbod van artikel 126i, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, in tegenstelling tot hetgeen de raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit, PB 146 met zijn handelen niet buiten het bevel pseudodienstverlening in de zin van artikel 126i, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is getreden. In dat bevel is onder meer opgenomen dat de opsporingsambtenaar in zijn bewoordingen duidelijk zou laten blijken dat het hem eigenlijk zeer slecht uitkomt om de werkstrafuren uit te voeren omdat dit zijn eigen werkzaamheden en inkomen zal schaden. Het handelen van PB 146 is in lijn met de wijze waarop aan het bevel pseudodienstverlening uitvoering werd gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is niet vereist dat precies is uitgewerkt op welke wijze dit zou geschieden en wat daarbij zou worden gezegd en gedaan.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw en is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.
 

Bewijsoverwegingen

De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 6 mei 2016 urenlijsten werkstraf ter zake van onder meer betrokkene 1 en betrokkene 2 valselijk heeft opgemaakt (feit 1) en hen en anderen in diezelfde periode, anders dan als ambtenaar, te weten als (reclasserings)werkmeester hun werkstraf heeft laten afkopen (feit 2).
 

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de aan de verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
 

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 1 en 2 voor zover deze betrekking hebben op betrokkene 1 en anderen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig bewijs is nu slechts sprake is van een via de reclassering overgebrachte verklaring van betrokkene 1 en voor deze verklaring geen ondersteunend bewijs in het dossier aanwezig is. Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat er onvoldoende overtuigend bewijs is nu betrokkene 1 bij de politie heeft verklaard zijn werkstraf wel te hebben verricht.

Daarnaast is uit het dossier niet gebleken dat de verdachte door anderen dan betrokkene 2 is omgekocht of dat hij andere urenlijsten heeft vervalst, aldus de raadsvrouw.
 

De beoordeling van de rechtbank

Ten aanzien van betrokkene 1

Aangever, unitmanager werkstrafunit regio Zuid West van de Reclassering Nederland, heeft op 13 november 2015 aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat betrokkene 1 tegen een medewerkster van de reclassering heeft verteld dat hij zijn werkstraf van 60 uren heeft afgekocht voor €150. Op 24 augustus 2015 heeft betrokkene 1 een intakegesprek gevoerd met een medewerker van de reclassering en werkmeester verdachte van de stichting te Den Haag. Toen betrokkene 1 op 21 oktober 2015 aan zijn werkstraf begon werd hem direct na aanvang door de werkmeester verdachte te kennen gegeven dat hij zijn werkstraf af kon kopen voor €150. betrokkene 1 heeft zijn werkstraf hierop voor €150 afgekocht. betrokkene 1 bemerkte die dag dat meerdere personen het aanbod kregen om hun werkstraf af te kopen.

Stichting ontvangt van de reclassering een financiële vergoeding voor de begeleiding van werkgestraften door onder andere werkmeester verdachte.

Op de urenlijst werkstraf op naam van betrokkene 1 is omcirkeld dat betrokkene 1 op woensdagen zijn werkstraf zou verrichten. Er is ingevuld dat betrokkene 1 op 21 oktober 2015 zijn werkstraf is begonnen en dat hij deze op 21 tot en met 24 en 26 tot en met 30 oktober 2015 heeft verricht. Achter de respectievelijke dagen zijn telkens parafen/handtekeningen van de cliënt en de contactpersoon vermeld. Voorts heeft de contactpersoon ondertekend.

De verdachte heeft verklaard dat hij de contactpersoon is geweest en dat het zijn parafen en handtekening zijn op de urenlijst van de taakgestrafte betrokkene 1.

Betrokkene 1 is op 22 april 2016 als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat hij in 2015 een werkstraf diende te verrichten bij stichting. Na een intakegesprek is hem door verdachte aangeboden zijn werkstraf af te kopen. verdachte heeft hem verteld dat hij het geld in de lift aan hem moest geven omdat daar geen camera’s hangen. Op een foto die hem is getoond door verbalisant heeft betrokkene 1 de verdachte herkend als de persoon die hem heeft aangeboden zijn werkstraf af te kopen.

Getuige, medewerkster van de Reclassering Nederland, heeft op 22 juni 2016 verklaard dat betrokkene 1 haar heeft verteld zijn werkstraf te hebben afgekocht. Tijdens de intake van de werkstraf had F. verdachte non verbaal doen voorkomen dat er wel iets te regelen viel. Op de dag dat betrokkene 1 moest beginnen met zijn werkstraf heeft hij deze voor €150 bij verdachte afgekocht. Voorts heeft getuige verklaard dat zij een goed contact heeft met betrokkene 1 en dat hij altijd eerlijk tegenover haar is geweest. Hij heeft tegen haar gezegd dat hij spijt had van het afkopen van de werkstraf, omdat hij haar teleurstelde. betrokkene 1 heeft haar verteld dat meerdere mensen hun werkstraf bij verdachte hebben afgekocht.

Verdachte heeft ontkend geld van betrokkene 1 aan te hebben genomen om betrokkene 1 zijn werkstraf af te laten kopen.

Ten aanzien van betrokkene 2

Bij het bevel pseudokoop en/of pseudodienstverlening is bepaald dat een opsporingsambtenaar door de reclassering onder een fictief parketnummer 09/842869-15 ter uitvoering van een werkstraf tewerkgesteld zal worden bij het werkstrafproject in de zorginstelling stichting te Den Haag. Voorts is er een overeenkomst werkstraf opgemaakt onder genoemd parketnummer 09/842869-15 ter name van betrokkene 2.

Verbalisant PB 146 heeft geverbaliseerd dat hij op 15 maart 2016 een gesprek heeft gehad met een reclasseringsmedewerker en met resocialisatiemedewerker verdachte (de rechtbank begrijpt: de verdachte) bij stichting te Den Haag met betrekking tot een uit te voeren werkstraf. Na dit gesprek heeft de verdachte aan verbalisant medegedeeld dat hij zijn uren zou kunnen aftekenen als verbalisant hem zou mazzelen. Op 6 april 2016 deelde de verdachte verbalisant mede dat hij hem beter kon mazzelen in de lift omdat daar geen camera’s hingen. De verdachte heeft vervolgens de urenlijsten ingevuld en verbalisant gevraagd zijn handtekening te zetten bij elke dag dat hij had “gewerkt”. De verdachte heeft verbalisant gevraagd hem te geven wat hij wilde en na enig overleg gevraagd €200 te geven. De verbalisant heeft vervolgens €200 overhandigd aan verdachte. verdachte heeft voorts verklaard dat hij dit wel vaker heeft gedaan.

Op de urenlijst werkstraf op naam van betrokkene 2 is omcirkeld dat betrokkene 2 op maandagen zijn werkstraf zou verrichten. Er is ingevuld dat hij op 21 maart 2016 zijn werkstraf is begonnen en dat hij deze op 21 tot en 26 en 29 tot en met 31 maart 2016 en op en 4 april 2016 heeft verricht. Achter de respectievelijke dagen zijn telkens parafen/handtekeningen van de cliënt en de contactpersoon vermeld.

De verdachte heeft verklaard dat hij de urenlijsten van betrokkene 2 valselijk heeft ingevuld en getekend en daarvoor van betrokkene 2 €200 heeft gekregen.
 

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van betrokkene 1 overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verklaring van getuige blijkt ondubbelzinnig dat betrokkene 1 tegen haar heeft gezegd dat hij de werkstraf daadwerkelijk heeft afgekocht voor €150 en dat hij daar achteraf spijt van had. Deze mededeling is ook de basis geweest voor de aangifte door aangever, waarin duidelijk is opgenomen dat sprake is van een werkstraf die is afgekocht. De rechtbank ziet niet in welk belang betrokkene 1 erbij gehad zou kunnen hebben om te vertellen dat hij de werkstraf had afgekocht en daar spijt van had, terwijl hij in werkelijkheid niet op het aanbod is ingegaan. Nadat hij als verdachte was aangemerkt en werd gehoord was er wel sprake van een belang bij betrokkene 1 om anders te verklaren, namelijk om eigen strafbaar handelen te verhullen. De ingevulde urenlijst vormt voorts een ondersteuning voor het afgekocht zijn van de werkstraf. Daarop is immers de woensdag als werkdag omcirkeld, terwijl op de urenlijst grotendeels aaneengesloten werkdagen zijn ingevuld. Dit komt overeen met de urenlijst op naam van betrokkene 2 - waarvan vaststaat dat deze valselijk is opgemaakt - waarop de maandag als werkdag is omcirkeld, terwijl op grotendeels aaneengesloten dagen gewerkte uren zijn ingevuld. Ten slotte vormt het proces-verbaal van PB146 een ondersteuning, nu daarin is opgenomen dat de verdachte heeft gezegd dat hij het vaker had gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de urenlijst van betrokkene 1 valselijk heeft opgemaakt en hiervoor een bedrag van €150 heeft ontvangen.

Ten aanzien van betrokkene 2 heeft de verdachte bekend de urenlijst op zijn naam valselijk te hebben ingevuld en hiervoor een bedrag van €200 te hebben ontvangen.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd ten aanzien van meer personen dan betrokkene 1 en betrokkene 2 acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. Weliswaar heeft betrokkene 1 verklaard dat anderen hun taakstraf bij de verdachte hebben afgekocht en heeft de verdachte tegen PB 146 gezegd dat hij dit vaker had gedaan, maar voldoende specifiek bewijs daarvoor ontbreekt. De rechtbank zal de verdachte derhalve van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
     
  • Feit 2: het, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten, aannemen of vragen van een gift en dit aannemen of vragen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.


 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF