Veroordeling advocaten wegens medeplegen schending ambtsgeheim, vrijspraak omkoping

Rechtbank Amsterdam 3 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5534 en ECLI:NL:RBAMS:2017:5530

Samenvatting

De Rechtbank Amsterdam heeft twee letselschadeadvocaten veroordeeld wegens het medeplegen van schending van het ambtsgeheim van een politievrijwilligster.

De verdenking was dat deze twee advocaten en andere medewerkers van hun advocatenkantoor in ruil voor giften en gratis diensten van een politievrijwilligster vertrouwelijke informatie over verkeersongevallen hebben gekregen. De politievrijwilligster mocht die informatie niet verstrekken en schond door het verstrekken haar geheimhoudingsplicht.

De verdachten zijn vrijgesproken van omkoping omdat niet vastgesteld kan worden dat de giften en diensten tot doel hadden om de informatie van de politievrijwilligster te ontvangen. Die giften en diensten waren voor de politievrijwilligster ook niet de reden om de informatie aan de advocaten te verstrekken.

Verdachten hebben zich wel schuldig gemaakt aan het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim van de politievrijwilligster. Dit hebben zij gedaan als feitelijk leidinggever van het advocatenkantoor en als medepleger.

De verdachten worden vrijgesproken van de ten laste gelegde heling en witwassen.

De rechtbank volstaat met de vaststelling dat de verdachten de bewezen verklaarde feiten hebben gepleegd en legt hun verder geen straf op. Het advocatenkantoor heeft maar zeer beperkt voordeel gehad van de bewezen verklaarde feiten. Ook blijkt niet dat de verdachten met ‘boos opzet’ hebben gehandeld. Deze strafzaak heeft voor verdachten in elk geval grote zakelijke gevolgen; het uiteenvallen van het advocatenkantoor. Ook komt de forse transactie die door het advocatenkantoor is geaccepteerd deels voor rekening van de verdachten. De rechtbank weegt deze gevolgen in het voordeel van verdachten mee, omdat die mede zijn afgestemd op het zware verwijt van omkoping en een verondersteld ‘boos opzet’ en de berichtgeving in de media is daar ook op gebaseerd. De rechtbank komt op beide punten tot een ander oordeel. Dat betekent dat het beeld dat van verdachte in de media is geschetst genuanceerd zou moeten worden. De ervaring leert evenwel dat een eenmaal geschetst negatief beeld – ook als de rechtbank tot een gunstiger oordeel komt – verdachten, zowel privé als op zakelijk gebied, nog zal blijven achtervolgen.
 

Wettelijk kader gegevensverstrekking verkeersongevallen

De politie beschikt over informatie van verkeersongevallen, wanneer zij in het kader van een verkeersongeval op de een of andere manier werkzaamheden verrichtte. Het kan daarbij gaan om kleine overtredingen waardoor geen of nauwelijks schade is veroorzaakt, maar ook om ernstige verkeersmisdrijven met fors letsel als gevolg. Wanneer sprake is van een slachtoffer met (fysiek) letsel, kan het slachtoffer of zijn advocaat belang hebben bij het ontvangen van de gegevens die de politie over het ongeval heeft. De politie mag die gegevens onder bepaalde omstandigheden ook rechtsgeldig verstrekken.

Wanneer de politie die politiegegevens mag verstrekken, werd ten tijde van het ten laste gelegde met name geregeld in de Wet politiegegevens, het Besluit politiegegevens en de Aanwijzing informatieverstrekking verkeersongevallen. Die regelgeving kwam in het kort op het volgende neer.

Een politieambtenaar is tot geheimhouding van politiegegevens verplicht, tenzij de verstrekking van die gegevens is verplicht, de wet de verstrekking toelaat of de politietaak in bijzondere gevallen tot verstrekking noodzaakt. Een ontvanger van politiegegevens is ook verplicht tot geheimhouding, tenzij hij op basis van de wet verplicht is de politiegegevens te verstrekken of zijn taak tot verstrekking noodzaakt.

De politiegegevens mogen op structurele basis onder meer verstrekt worden aan daartoe aangewezen instellingen. Voor deze zaak is van belang dat ten tijde van de ten laste gelegde periode de naam organisatie (hierna: naam organisatie ) als enige organisatie die slachtoffers ondersteunt, was aangewezen als instantie waaraan op structurele basis politiegegevens konden worden verstrekt6, naam Stichting is nimmer als zodanig aangewezen. Aan naam organisatie mochten en mogen alleen gegevens worden verstrekt voor zover deze noodzakelijk zijn voor het behartigen van belangen van slachtoffers van strafbare feiten of verkeersongevallen.

Daarnaast kunnen op incidentele basis politiegegevens worden verstrekt, waarbij geldt dat de gegevensverstrekking ten behoeve van verkeersslachtoffers in beginsel loopt via de Stichting Processen Verbaal (verder: SPV). SPV krijgt van de politie processen-verbaal, maar alleen voor zover het gegevens betreft inzake aanrijdingen of aanvaringen. Uit de Aanwijzing volgt verder dat SPV processen-verbaal inzake aanrijdingen en aanvaringen mag verstrekken aan bij het voorval betrokken belanghebbenden, voor zover die processen-verbaal geen betrekking hebben op misdrijven. Wanneer een proces-verbaal betrekking heeft op een misdrijf, dient de verstrekking te gaan via het Openbaar Ministerie. Wanneer een belanghebbende een proces-verbaal via SPV kan krijgen, moet de politie in principe het proces-verbaal aan SPV beschikbaar stellen. Alleen bij dringende redenen kan hiervan worden afgeweken en kan een proces-verbaal rechtstreeks door de politie aan naam organisatie of een benadeelde van een strafbaar feit worden verstrekt. Wat dit laatste betreft mogen politiegegevens slechts rechtstreeks door de politie verstrekt worden aan benadeelden van strafbare feiten, voor zover zij deze gegevens behoeven om in rechte voor hun belangen op te kunnen komen. Daarnaast kan de korpsbeheerder beslissen tot het verstrekken van politiegegevens aan personen of instanties voor onder andere het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, maar alleen voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang.

Deze regelgeving brengt mee dat een individuele politieambtenaar in bepaalde omstandigheden aan derden politiegegevens mag verstrekken. Maar (anders dan door de verdediging gesteld) kan daar niet uit worden afgeleid dat elke politieambtenaar in alle gevallen politiegegevens aan derden mag verstrekken. In de eerste plaats kunnen politiegegevens alleen rechtstreeks door de politie aan derden worden verstrekt als een proces-verbaal nog niet is ingezonden aan het Openbaar Ministerie. Dat mag ook wanneer het gaat om politiegegevens met betrekking tot een verkeersongeval die niet zijn opgenomen in een proces-verbaal. Tot slot mag dit alleen wanneer sprake is van een dringende reden.

De korpschef is de verantwoordelijke die beslist over de verstrekking van politiegegevens. Deze taak wordt feitelijk uitgevoerd door het Bureau Juridische Zaken (hierna: BJZ). Wanneer medewerkers van andere afdelingen van de politie in het kader van hun politietaak betrokken zijn, kan vanuit die taak ook informatie worden verstrekt. Het gaat dan bijvoorbeeld om de afdeling Dienst Controle Infrastructuur en Vervoer of de wijkteams. In al die gevallen geldt dat aan benadeelden niet meer verstrekt mag worden dan nodig is voor de benadeelden om in rechte voor hun belangen op te kunnen komen.

Gegevensverstrekking verkeersongevallen in de praktijk

Deze zaak laat zien dat de praktijk van gegevensverstrekking weerbarstiger was dan de hierboven beschreven regelgeving doet vermoeden. Zo komt uit de verhoren van de medewerkers en leidinggevenden bij naam organisatie een opvallend beeld naar voren. De leidinggevenden spraken over strikte naleving van de regels en beperkte gegevensverstrekking. De medewerkers die in de praktijk contact hadden met slachtoffers en letselschadeadvocaten gaven aan dat zij regelmatig meer informatie verstrekten. Het lijkt in elk geval aannemelijk dat in concrete gevallen – waarschijnlijk goedbedoeld – meer gegevens zijn verstrekt dan was toegestaan. Die verstrekkingen lijken ook betrekking te hebben op stukken die in eerste instantie al niet door de politie aan naam organisatie beschikbaar gesteld hadden mogen worden.

Uit het dossier komt verder naar voren dat medewerkers van naam organisatie in de ten laste gelegde periode bij de doorverwijzing van cliënten naar advocatenkantoren soms een zekere adviserende rol speelden. Het lijkt er daarbij op dat de medewerkers bij het doorverwijzen van cliënten persoonlijke voorkeuren kregen voor bepaalde kantoren, gebaseerd op hun ervaringen met betrekking tot de rechtsbijstand van die kantoren. Naam B.V. was één van de kantoren die goed aangeschreven stond bij naam en andere medewerkers van naam organisatie, op grond waarvan naam B.V. relatief veel zaken doorverwezen kreeg via naam en andere medewerkers van naam organisatie.

Vrijwilligerswerk

Tegen de hiervoor geschetste achtergrond zijn de verschillende posities die naam had van belang. In 2003 begon zij als vrijwilliger bij naam organisatie en daar werkte zij totdat zij (min of meer gedwongen) op 22 maart 2010 haar dienstverband heeft beëindigd. Naam verrichtte haar werkzaamheden bij de afdeling verkeerszaken. Verschillende getuigen hebben verklaard dat naam zeer begaan was met slachtoffers, gedreven en voor hun belangen alles in het werk stelde.

Vanaf 31 juli 2008 was naam ook als volontair in dienst bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, Dienst Executieve Ondersteuning. Tussen 30 maart 2009 en 13 januari 2011 handelde zij (binnenkomend) mobilofoon-, portofoon- en telefoonverkeer af voor de afdeling. Vanaf 13 januari 2011 tot aan het einde van haar dienstverband als volontair verrichtte naam op het politiebureau Amstelveen-Noord werkzaamheden aan de publieksbalie. Daar belde naam ook met aangevers om terug te koppelen welke werkzaamheden de politie naar aanleiding van de aangifte had ondernomen.

De afdeling verkeerszaken van naam organisatie hield aan het begin van het dienstverband van naam kantoor op het politiebureau aan de adres 1 in plaats, waar ook de verkeerspolitie was gevestigd. Daardoor waren de lijntjes tussen naam organisatie en de verkeerspolitie kort. In die periode werd een start gemaakt met de samenwerking tussen de verkeerspolitie en naam organisatie wat betreft de uitwisseling van politiegegevens van verkeersongevallen. Voor naam organisatie was het voor de uitoefening van haar werkzaamheden namelijk van belang dat zij informatie kreeg over de personen die als slachtoffer betrokken waren bij een verkeersongeval.

Op enig moment verhuisde de afdeling verkeerszaken van naam organisatie naar Diemen. Daardoor kwam er fysiek een grotere afstand tussen naam organisatie en de verkeerspolitie. Bovendien was de administratie van de verkeerspolitie in die periode onderbezet. Dat zorgde voor problemen in de informatievoorziening vanuit de politie aan naam organisatie. Omdat naam zowel vrijwilliger was bij de politie als bij naam organisatie, werd zij als een soort functie aangesteld om de politiegegevens die bestemd waren voor naam organisatie over te brengen.

Contact tussen naam en naam B.V.

Verdachte kreeg in 2005 contact met naam. In die tijd werkte verdachte nog als (letselschade)advocaat bij de voorgangster van naam B.V., naam kantoor. Het contact tussen naam en verdachte bleef bestaan nadat in 2007, als gevolg van een opsplitsing van naam kantoor, naam B.V. werd opgestart. Na verloop van tijd werden de contacten van naam B.V. met naam en naam organisatie meer en meer overgenomen door medeverdachte. Ook na het vertrek van naam bij naam organisatie bleven medeverdachte en naam B.V. met naam contact houden.
 

Kernvragen

De discussies in deze zaak richten zich voornamelijk op twee onderdelen. In de eerste plaats op de vraag welke politiegegevens naam mocht verstrekken en in hoeverre de advocaten van naam B.V., en in het bijzonder verdachte en medeverdachte, daarvan op de hoogte waren. Daarnaast gaat het er met name om met welk doel betrokkenen van naam B.V. betalingen en werkzaamheden verrichtten ten behoeve van naam Stichting of naam en in hoeverre verdachte en medeverdachte op de hoogte waren van de verrichte betalingen en werkzaamheden. Voordat de rechtbank die vragen zal beantwoorden, zal kort ingegaan worden op de vraag wat er feitelijk wel en niet gebeurd is.

De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. Naam bleef na haar vertrek bij naam organisatie politiegegevens verstrekken aan de advocaten van naam B.V.. Aan de andere kant verrichtten advocaten en medewerkers van naam B.V. werkzaamheden ten behoeve van de slachtofferstichting van naam, naam Stichting. Ook werden door naam B.V. diverse betalingen gedaan aan of ten behoeve van naam Stichting. Die betalingen hadden in de eerste plaats betrekking op kosten in het kader van de oprichting van naam Stichting. Verder deed naam B.V. betalingen ten behoeve van de bedrijfsvoering van naam Stichting en naam B.V. betaalde facturen die naam vanuit naam Stichting verstuurde op basis van de door naam verstrekte politiegegevens. Tot slot betaalde naam B.V. facturen van naam eenmansbedrijf, een eenmansbedrijf van naam. Die facturen van naam eenmansbedrijf hadden betrekking op chauffeursdiensten die naam eenmansbedrijf verrichtte ten behoeve van verdachte.

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat naam politiegegevens opzocht en verstrekte met als doel het werven van nieuwe cliënten voor naam B.V. Naam kreeg verzoeken om informatieverstrekking van advocaten van naam B.V. en van één andere, niet bij naam B.V. werkzame advocaat (maar zij was destijds wel de partner van medeverdachte) met betrekking tot slachtoffers die al cliënt waren van één van die advocaten. Naam verstrekte vervolgens de gevraagde gegevens aan de desbetreffende advocaat.

Dat naam B.V. de door naam verstrekte gegevens gebruikte voor het zogenaamde ‘cherry picking’ (het uitkiezen van de lucratiefste zaken) is ook niet gebleken. Er kan namelijk niet worden vastgesteld dat naam B.V. naar aanleiding van de verstrekte gegevens afzag van het behartigen van de belangen van een slachtoffer, of dat naam B.V. alsnog een cliëntrelatie beëindigde nadat zij de gegevens van naam ontving. Laat staan dat dit gebeurde, omdat de advocaat op basis van de verkregen informatie tot de conclusie kwam dat de zaak te weinig lucratief was voor naam B.V.

Aan het begin van de ten laste gelegde periode, te weten van 1 maart 2010 tot en met 21 maart 2010, was naam zowel vrijwilliger bij naam organisatie als bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland. Als naam in die korte periode van drie weken al politiegegevens aan naam B.V. verstrekte, kan niet worden vastgesteld dat zij dit als politieambtenaar verstrekte (en niet als naam organisatie -vrijwilliger). Omdat op basis van het dossier ook duidelijk is dat de verdenkingen tegen verdachte zijn gebaseerd op de periode nadat naam bij naam organisatie vertrok, hetgeen door de officier van justitie op de terechtzitting is bevestigd, zal de rechtbank bij het beoordelen van de zaak de periode van de tenlastelegging tot en met 21 maart 2010 buiten beschouwing laten en – voor zover tot een bewezenverklaring wordt gekomen – die periode niet bewezen achten.
 

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat feit 1 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief (actieve ambtelijke omkoping), en feit 2 subsidiair, eerste en tweede cumulatief/alternatief (gewoontewitwassen), is bewezen. De officier van justitie acht steeds bewezen dat verdachte de feiten als feitelijk leidinggever van naam B.V. en als medepleger pleegde. Daarvoor is volgens de officier van justitie het volgende van belang.

Naam en naam Stichting maakten geen deel uit van de personen en instanties die op basis van het wettelijke kader politiegegevens mochten ontvangen of mochten verstrekken aan derden. Bovendien verstrekte naam veel meer informatie dan dat de advocaten van naam B.V. ten behoeve van slachtoffers mochten ontvangen. Het dossier bevat verder een groot aantal aanwijzingen dat alle letselschadeadvocaten van naam B.V., waaronder verdachte, wisten of konden vermoeden dat naam in strijd met haar plicht handelde.

Volgens de officier van justitie is naam door naam B.V. en haar advocaten bewogen tot het snel en (te) ruim verstrekken van politiegegevens en heeft naam B.V. een voorkeursrelatie willen doen ontstaan en/of laten voortbestaan. Door die voorkeursrelatie kon naam B.V. sneller gegevens krijgen en naam zou in de toekomst (vanuit naam Stichting) cliënten naar naam B.V. kunnen doorverwijzen. Aan de andere kant verstrekten naam B.V. en haar advocaten giften en verrichtten zij diensten ten behoeve van naam en (meer in het bijzonder) ten behoeve van naam Stichting. Op basis van de uiterlijke verschijningsvormen van die giften en diensten kan het niet anders zijn dan dat die giften en diensten zijn gedaan om naam gunstig te stemmen, zodat zij haar werkzaamheden voor naam B.V. zou blijven continueren. Daarmee kan de als feit 1 primair ten laste gelegde omkoping worden bewezen.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat omkoping niet bewezen is, acht de officier van justitie het subsidiair ten laste gelegde schenden van het ambtsgeheim bewezen. Naam verstrekte in strijd met haar plicht politiegegevens en naam en verdachte moesten dat ook weten of redelijkerwijs vermoeden.

Ten aanzien van feit 2 is volgens de officier van justitie de primair ten laste gelegde helingsvarianten niet bewezen, omdat de politiegegevens afkomstig zijn van een door haar zelf gepleegd misdrijf. De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde gewoontewitwassen wel bewezen. In de ten laste gelegde periode maakte naam B.V. frequent en stelselmatig gebruik van de onrechtmatig verkregen politiegegevens, waardoor zij de criminele opbrengsten veilig stelde.
 

Standpunt van de verdediging

De verdediging acht geen van de feiten bewezen en verzoekt verdachte van alle feiten vrij te spreken. Daarvoor is volgens de verdediging het volgende van belang.

Op basis van de wet- en regelgeving mocht naam net zo goed als andere politiemedewerkers (betaalde agenten en vrijwilligers) politiegegevens verstrekken. Politiegegevens mochten op basis van de regels ook verstrekt worden aan advocaten van slachtoffers. Uit de regels volgt dat politiemedewerkers ook processen-verbaal mochten verstrekken. Dit brengt mee dat de verstrekkingen van naam aan naam B.V. en haar advocaten rechtmatig waren. Alleen daarom al kunnen alle ten laste gelegde feiten niet worden bewezen.

Ook als de rechtbank zou vaststellen dat de verstrekkingen van naam in strijd met de geldende wet- en regelgeving waren, dan nog zijn de feiten niet bewezen. Verdachte wist namelijk niet dat die verstrekkingen onrechtmatig waren en verdachte hoefde dat ook niet te vermoeden. Ook om die reden moet verdachte van alle ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken.

Daarnaast vindt de verdediging met betrekking tot de verdenking van omkoping (feit 1 primair) het volgende van belang. Van een groot deel van de betalingen en werkzaamheden geldt dat dit geen giften of diensten zijn in de zin van de omkopingsbepalingen.7 De bedragen op de specificatie van de declaratie zijn geen giften, omdat naam Stichting die bedragen aan naam B.V. moet terug betalen. Naam Stichting moet ook de werkzaamheden betalen die naam partner (hierna: naam partner), partner bij naam B.V., in het kader van het oprichten van naam Stichting verrichtte. Een groot aantal van de overige werkzaamheden is niet verricht vanuit naam B.V. Ook de betalingen aan naam eenmansbedrijf zijn niet aan te merken als gift, omdat hier feitelijke werkzaamheden vanuit naam eenmansbedrijf tegenover staan.

Van een aantal betalingen of werkzaamheden kan wel worden vastgesteld dat die vanuit naam B.V. zijn verricht. Daarvan kan echter niet worden vastgesteld dat die zijn verricht met het oogmerk om naam te bewegen politiegegevens te verstrekken.

Met betrekking tot feit 1 voert de verdediging tot slot aan dat verdachte niet de voor opdracht geven, feitelijk leidinggeven of medeplegen vereiste betrokkenheid of wetenschap had. In de eerste plaats wist verdachte niet dat naam bij de politie werkte en zij hoefde dit ook niet te weten, omdat haar contact met naam al vanaf 2008 minder werd. Daarnaast had verdachte geen betrokkenheid of wetenschap bij de vermeende giften, met uitzondering van de betalingen aan naam eenmansbedrijf. Met betrekking tot de diensten wist verdachte wel dat naam partner bezig was met het oprichten van naam Stichting en dat naam student-medewerker, destijds student-medewerker bij naam B.V., bezig was met folders voor naam Stichting, maar daar had verdachte verder geen betrokkenheid bij. Van de overige diensten had verdachte geen wetenschap, laat staan dat zij daarbij betrokken was.

Met betrekking tot feit 2 voert de verdediging het volgende aan. Als de rechtbank feit 1 in enige vorm bewezen oordeelt, dan zijn de politiegegevens die verdachte voorhanden had, afkomstig van een eigen misdrijf. Dat maakt dat feit 2 primair (heling) niet kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Feit 2 subsidiair (witwassen) kan om die reden niet worden gekwalificeerd, zodat verdachte daarvan moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Rechtmatigheid van de verstrekking

Verstrekte naam rechtmatig?

De rechtbank zette hiervoor in de inleiding het wettelijk kader rondom het verstrekken van politiegegevens uiteen. Op basis daarvan komt de rechtbank tot de conclusie dat de verstrekkingen door naam aan naam B.V. onrechtmatig waren.

Naam kan als privépersoon of als vertegenwoordiger van naam Stichting op geen enkele manier rechtmatig politiegegevens hebben versterkt. De enige hoedanigheid van waaruit naam in de periode van 22 maart 2010 tot en met 11 september 2012 überhaupt rechtmatig politiegegevens kan hebben verstrekt, is die van politievolontair.

Uit het wettelijk kader volgt dat de politie onder omstandigheden politiegegevens mag verstrekken. Of een individuele politiemedewerker dat in een concreet geval mag doen, hangt af van de taken die die medewerker heeft. Voor naam geldt dat zij sinds haar vertrek bij naam organisatie nooit de taak heeft gehad om politiegegevens te verstrekken aan derden. Zij werkte niet bij BJZ en zij was ook niet om een andere reden door (het bevoegde gezag binnen) de politie aangesteld om politiegegevens aan derden te verstrekken. Vanuit de taken die naam had, was zij niet betrokken bij verkeersongevallen. Zij was dus op basis van een normale taakuitoefening ook niet bevoegd om politiegegevens aan naam B.V. te verstrekken.

Mogelijk kan gedacht worden dat naam rechtmatig politiegegevens mocht verstrekken, omdat zij daarvoor eerder was aangesteld door de politie. Die aanstelling was echter beperkt. Naam was gedurende enkele maanden – voorafgaand aan de ten laste gelegde periode – bevoegd om politiegegevens van de politie aan naam organisatie te verstrekken, ten behoeve van de taakuitoefening van naam organisatie. Die aanstelling creëerde geen bevoegdheid om meer of andere politiegegevens te verstrekken dan naam organisatie nodig had. Ook creëerde dit geen bevoegdheid om politiegegevens aan anderen dan naam organisatie te verstrekken. Die aanstelling creëerde dus in het bijzonder geen bevoegdheid om politiegegevens aan naam B.V. of haar advocaten te verstrekken. Mogelijk kon en mocht naam als vrijwilliger van naam organisatie in die periode wel informatie verstrekken aan naam B.V. of haar advocaten, voor zover naam organisatie ten aanzien van cliënten van naam B.V. relevante informatie had, maar die positie kan geen grondslag bieden voor rechtstreekse verstrekkingen van politiegegevens aan naam B.V. vanaf 22 maart 2010, de dag waarop naam haar dienstverband bij naam organisatie beëindigde.

Nog los van het feit dat naam in het geheel niet bevoegd was om politiegegevens te verstrekken, verstrekte naam ook meer informatie aan naam B.V. dan naam B.V. nodig had voor het in rechte bijstaan van slachtoffers. Informatie die naam B.V. daarvoor niet nodig had, mocht naam B.V. niet ontvangen. Die informatie mocht naam ook daarom niet aan naam B.V. verstrekken.

De verdediging heeft uitvoerig stilgestaan bij de praktijk ten tijde van de ten laste gelegde periode (en voordien) en heeft betoogd dat naam niet meer gegevens heeft verstrekt dan vele anderen. De verdediging heeft er daarbij op gewezen dat in die tijd door vele verschillende betrokkenen meer gegevens werden verstrekt dan volgens de regels was toegestaan. Zij wijst daarbij op informatie die verstrekt is door de politie of door andere medewerkers van naam organisatie dan naam en heeft een en ander onderbouwd met een grote hoeveelheid bewijsstukken.

De rechtbank is van oordeel dat voor het antwoord op de vraag of naam rechtmatig politiegegevens verstrekte, niet van belang is of anderen, bijvoorbeeld (andere) medewerkers van de politie of van naam organisatie meer informatie verstrekten dan zij volgens de regels mochten verstrekken. Uitgangspunt is immers dat naam in het geheel geen informatie meer mocht verstrekken sinds haar vertrek bij naam organisatie op 22 maart 2010, terwijl dat niet geldt voor de personen waarmee de verdediging wil vergelijken; zij waren uit hoofde van hun functie bij de politie en hun betrokkenheid bij bepaalde ongevallen of uit hoofde van hun functie bij naam organisatie in beginsel wel bevoegd te verstrekken en de onrechtmatigheid in die gevallen was hooguit gelegen in het feit dat die personen te veel gegevens verstrekten.

Als anderen rechtsgeldig politiegegevens mochten verstrekken maar wel eens te veel gegevens verstrekten, is daar niet uit af te leiden dat naam ook rechtsgeldig politiegegevens mocht verstrekken.

Conclusie: de verstrekkingen door naam waren onrechtmatig

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat naam niet bevoegd was om de verstrekte politiegegevens aan de advocaten van naam B.V. te verstrekken.

In hoeverre wisten of hadden verdachte en medeverdachte moeten weten dat naam onrechtmatig verstrekte?

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat naam onrechtmatig politiegegevens verstrekte aan naam B.V. en haar advocaten, moet de vraag worden beantwoord in hoeverre verdachte en medeverdachte dat wisten of hadden moeten weten. Daarvoor is in de eerste plaats van belang welke wetenschap uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte afgeleid kan worden.

Verklaring verdachte

Verdachte kende volgens haar zeggen naam via naam organisatie en had in het verleden politiegegevens ontvangen van naam als medewerker van naam organisatie. Verdachte wist dat naam wegging bij naam organisatie, maar daardoor veranderde er volgens verdachte niets wat betreft het opvragen van informatie bij naam. Verdachte zegt niet geweten te hebben dat naam bij de politie werkte, maar zij heeft zich niet afgevraagd hoe naam dan aan politiegegevens kon komen nadat zij bij naam organisatie wegging. Verdachte kende de Wpg en de Aanwijzing inhoudelijk niet. Zij vindt dat zij de wet niet hoefde te kennen. Voor haar was voldoende dat zij wist waar zij de politiegegevens kon krijgen.

Verklaring medeverdachte

Wist volgens zijn afgelegde verklaringen dat naam vrijwilliger bij de politie was. Hij had begrepen dat naam door de politie was aangesteld om politiegegevens aan naam organisatie te verstrekken. Medeverdachte wist ook dat naam bij naam organisatie wegging, maar haar vertrek betekende volgens naam – zo zou zij medeverdachte hebben laten weten – niet dat er iets hoefde te veranderen in de informatieverstrekking. Medeverdachte zegt de regelgeving over het verstrekken van politiegegevens niet te kennen en zich daarin niet te hebben verdiept.

Feitelijke gang van zaken

Naast de verklaringen van verdachte en medeverdachte kan de wetenschap van de verdachten ook afgeleid worden uit de feitelijke gang van zaken rondom het opvragen van politiegegevens bij naam. Van die feitelijke gang van zaken is het volgende gebleken.

Zowel verdachte als medeverdachte waren bekend met de gebruikelijke bronnen voor politiegegevens: BJZ, SPV en het Openbaar Ministerie. Toch vroegen zij voornamelijk politiegegevens op bij naam. Zij vroegen die politiegegevens niet schriftelijk op bij genoemde aangewezen bronnen voor politiegegevens, maar meestal benaderden zij naam op haar privételefoon of haar privé-e-mailadres. Naam verstuurde de politiegegevens ook niet per post of via een fax of e-mailadres van de politie, maar zij bracht de uitgeprinte informatie in persoon langs op het kantoor van naam B.V. Naam maakte in geen enkel geval gebruik van de politie-fax voor het verstrekken van politiegegevens aan naam B.V. en haar politie-e-mailaccount heeft zij slechts hoogst zelden in dit verband gebruikt, alleen om de op haar privémail ontvangen informatieverzoeken naar haar politiemailadres door te sturen.

De stukken die naam verstrekte, verschilden ook wat betreft de vorm en omvang van de stukken die SPV en andere politieambtenaren verstrekten. Zo verstrekte naam ongetekende processen-verbaal. Ook verstrekte naam alle informatie die zij kon vinden over een verkeersongeval. Zij selecteerde daarbij niet maar printte gewoon alles uit, zoals naam zelf ook heeft verklaard. Naam verstrekte daarmee ook politiegegevens waarvan het voor de advocaten duidelijk moet zijn geweest dat zij die niet nodig hadden voor hun werkzaamheden. Dat is van belang, omdat aan benadeelden en hun advocaten alleen politiegegevens verstrekt mogen worden, voor zover zij die nodig hebben om in rechte voor de belangen van de benadeelde op te komen.

De verstrekkingen door naam verschilden duidelijk van de verstrekkingen door politiemedewerkers van de wijkteams. Die politiemedewerkers waren vanuit hun functie en taak betrokken bij een verkeersongeval en hadden daarom bijzondere kennis van de specifieke zaak waarin zij gegevens verstrekten. Verdachte en medeverdachte vroegen de gegevens echter op bij een ogenschijnlijk willekeurige medewerker (naam) die vanuit haar functie in het geheel niet betrokken was bij verkeersongevallen, laat staan het concrete ongeval waarover zij informatie opvroegen.

Voor zover de verdachten meenden dat naam de politiegegevens verstrekte vanuit naam Stichting is het volgende van belang. Het enkel oprichten van een slachtofferstichting betekent niet dat die stichting ook zonder meer bevoegd is om politiegegevens te ontvangen, laat staan verder te verspreiden. Daar komt bij dat naam geen informatie verstrekte met betrekking tot slachtoffers die door naam Stichting werden bijgestaan of in het verleden werden bijgestaan. Integendeel, naam verstrekte juist informatie aan naam B.V. over cliënten van naam B.V., waar naam Stichting geen enkele betrokkenheid bij had (gehad).

Conclusie

Het voorgaande laat zien dat voor zowel verdachte als medeverdachte sprake was van een groot aantal aanwijzingen dat de verstrekkingen van naam aan naam B.V. onrechtmatig waren. Gelet op die aanwijzingen hadden verdachte en medeverdachte in ieder geval moeten vermoeden dat naam haar ambtsgeheim schond door onrechtmatig politiegegevens te verstrekken. Dat was voor verdachte en medeverdachte echter geen reden om geen politiegegevens meer op te vragen bij naam. Zij bleven die informatie opvragen, zonder zich te verdiepen in de geldende regelgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank hadden verdachte en medeverdachte zich in de gegeven situatie wel moeten verdiepen in de geldende regelgeving. Daarvoor is allereerst van belang dat zij zich – ook zonder specifiek onderzoek naar de regelgeving – gerealiseerd moeten hebben dat de politiegegevens die naam aan hen verstrekte, vertrouwelijke informatie betrof. Zij hadden zich ook moeten realiseren dat die gegevens niet vrij verstrekt mochten worden, maar dat daar regels voor gelden. Door dan toch politiegegevens op te vragen zonder te onderzoeken of de verstrekkingen daarvan rechtmatig zijn, wordt de kans aanvaard dat die verstrekkingen onrechtmatig zijn. Gezien de aanwijzingen dat sprake was van onrechtmatige verstrekkingen, was de kans dat die verstrekkingen onrechtmatig waren aanmerkelijk. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte en medeverdachte in elk geval voorwaardelijk opzet hadden op de onrechtmatigheid van de verstrekkingen door naam en het door naam schenden van haar ambtsgeheim.

Feit 1

Was sprake van omkoping (feit 1 primair)?

De rechtbank stelde hiervoor vast dat naam politiegegevens aan naam B.V. en haar advocaten verstrekte en dat die verstrekkingen onrechtmatig waren. De rechtbank stelde ook vast dat verdachte in elk geval moest vermoeden dat die verstrekkingen onrechtmatig waren. Tot slot stelde de rechtbank vast dat naam B.V. en haar medewerkers betalingen en werkzaamheden verrichtten ten behoeve van naam, naam Stichting en naam eenmansbedrijf.

Op basis van alleen deze vaststellingen kan nog niet worden bewezen dat naam B.V. en/of verdachte zich hebben schuldig gemaakt aan omkoping. Daarvoor is vereist dat naam B.V. en haar medewerkers die betalingen en werkzaamheden verrichtten om (uiteindelijk) naam te (blijven) bewegen om onrechtmatig politiegegevens aan naam B.V. en haar advocaten te verstrekken.

De betalingen en werkzaamheden die zijn verricht, zijn te onderscheiden in drie categorieën. Het gaat om betalingen aan naam eenmansbedrijf (5e gedachtestreepje op de tenlastelegging), de betaling van 86 facturen aan naam Stichting (4e gedachte streepje) en de betalingen en werkzaamheden ten behoeve van naam Stichting (de overige gedachtestreepjes). De rechtbank komt uiteindelijk tot de conclusie dat ten aanzien van geen van die categorieën vastgesteld kan worden dat die betalingen en werkzaamheden werden verricht om naam te bewegen politiegegevens te (blijven) verstrekken. Daarvoor is het volgende van belang.

Betalingen aan naam eenmansbedrijf

Tegenover de betalingen van naam B.V. aan naam eenmansbedrijf staan feitelijk uitgevoerde werkzaamheden, namelijk het verlenen van taxidiensten aan verdachte. Dat wijst erop dat sprake is van een zakelijke transactie. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat die betalingen daarnaast tevens tot doel hadden om ervoor te zorgen dat naam B.V. ook in de toekomst politiegegevens van naam zou ontvangen. De betalingen zijn daarom niet aan te merken als giften in de zin van de omkopingsbepalingen.

Betalingen en werkzaamheden naam Stichting

Volgens naam partner ondersteunde naam B.V. de oprichting van naam Stichting op een commerciële basis. De werkzaamheden die vanuit naam B.V. zijn verricht wijken echter af van een gebruikelijk te achten, zakelijke, dienstverlening door een advocatenkantoor. Medewerkers van naam B.V. verrichtten juridische werkzaamheden ten behoeve van de oprichting van naam Stichting, maar daarnaast ook aanzienlijke werkzaamheden ten behoeve van het op gang krijgen van de stichting, zoals het maken van teksten voor folders en een persbericht, het aanvragen van de ANBI-status en het aanvragen van subsidies. Veel van die laatste werkzaamheden waren niet-juridisch van aard. Medewerkers van de letselschadeafdeling van naam B.V. verrichtten de meeste van die werkzaamheden, terwijl het dossier met betrekking tot de oprichting van naam Stichting zelf op naam stond van naam partner, die zich niet bezighield met letselschadezaken.

Ook is vastgesteld dat naam B.V. een aantal betalingen ten behoeve van naam Stichting verrichtte. Een deel van die betalingen is aan te merken als traditionele verschotten in het kader van de oprichting van de stichting. Een groter deel van het totaalbedrag had echter betrekking op niet-juridische ondersteuning, zoals de kosten voor de reclamefolders en de website. Het is daarbij zeer opmerkelijk dat naam B.V. een deel van die betalingen niet zo zeer voorschoot, maar dat naam B.V. kosten vergoedde aan naam Stichting / naam die naam Stichting / naam eerst zelf had betaald.

Naam B.V. stelde met betrekking tot die verrichte betalingen wel een declaratie op, maar ook als er met de verdediging vanuit wordt gegaan dat die declaratie begin 2012 is opgemaakt en dat deze in de administratie van naam B.V. was opgenomen, kan uit het dossier niet worden afgeleid dat naam B.V. die declaratie ook daadwerkelijk aan naam Stichting / naam heeft verzonden. Het feit dat de declaratie niet bij naam Stichting / naam is aangetroffen, terwijl naam de administratie van naam Stichting zeer goed had geordend, wijst er eerder op dat dit niet het geval is geweest. Ook blijkt niet dat naam B.V. activiteiten ondernam die ertoe moesten leiden dat naam Stichting de declaratie daadwerkelijk zou betalen. In elk geval betaalden naam Stichting of naam de declaratie niet. Dit leidt tot de vaststelling dat naam B.V. naam Stichting op een niet-zakelijke wijze steunde.

Daarmee komt de rechtbank bij de vraag met welk doel naam B.V. naam Stichting steunde.

Het standpunt van de officier van justitie is – zoals hiervoor al verkort uiteengezet – dat de steun van naam Stichting in wezen steun was aan naam en dat deze steun, in combinatie met – kort gezegd – het onderhouden van amicale banden tussen de advocaten van naam B.V. en naam, geen ander doel kan hebben gehad dan een financiële en emotionele afhankelijkheid van naam te doen ontstaan richting de medewerkers van naam B.V. met als gevolg dat er een voorkeursrelatie ontstond en werd onderhouden. Die voorkeursrelatie zorgde ervoor dat naam B.V. op aanvraag snel en (te) ruim politiegegevens kon verkrijgen en dat naam in de toekomst (via naam Stichting) slachtoffers van verkeersongevallen als cliënten naar naam B.V. zou doorverwijzen.

Ten aanzien van de beantwoording van de vraag met welk doel naam B.V. naam Stichting steunde, stelt de rechtbank voorop dat naam met naam Stichting een alternatief voor naam organisatie wilde oprichten van waaruit zij slachtoffers kon bijstaan. Die (potentiële) cliënten wilde naam bereiken door contacten met de politie in te zetten en door bijvoorbeeld folders van haar stichting te verspreiden op politiebureaus en in ziekenhuizen. Naam verrichtte ook werkzaamheden om die doelstelling te verwezenlijken. De door naam B.V. verrichte betalingen en werkzaamheden hielden eveneens grotendeels verband met activiteiten die gericht waren op het vergroten van de (naams)bekendheid van naam Stichting, en in het verlengde daarvan, het (op termijn) verkrijgen van cliënten voor naam Stichting. Het is tegen deze achtergrond goed mogelijk dat naam B.V. naam hielp met naam Stichting in de hoop of met als doel, zoals de officier van justitie ook heeft betoogd, om in de toekomst via naam Stichting nieuwe cliënten te krijgen.

Wanneer een advocatenkantoor om die reden een slachtofferorganisatie steunt, kunnen daar vraagtekens bij gezet worden. Dit verklaart waarschijnlijk ook waarom naam B.V. niet wilde dat haar betrokkenheid bij naam Stichting bekend zou worden, in welke context ook het woord ‘belangenverstrengeling’ is gebruikt in (onder meer) de correspondentie met betrekking tot de door medewerkers van naam B.V. uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van naam Stichting.

Voor de beoordeling van de ten laste gelegde feiten is echter niet van belang of naam B.V. naam Stichting mocht ondersteunen in de hoop via naam Stichting in de toekomst cliënten doorverwezen te krijgen. Daarvoor is alleen van belang of de gegeven steun tot doel had dat door de ambtenaar naam onrechtmatig politiegegevens werden gedeeld. Gezien de genoemde mogelijke andere doelstelling van het ondersteunen van naam Stichting kan niet als reële mogelijkheid worden uitgesloten dat met de steun enkel dát doel beoogd werd en niet (ook) om naam te bewegen door te gaan met het verstrekken van politiegegevens.

Hier komt bij dat naam aanvankelijk als vrijwilliger van naam organisatie politiegegevens aan naam B.V. verstrekte en dat daar volgens haar, na haar vertrek bij naam organisatie, niets in hoefde te veranderen. Feitelijk is naam ook doorgegaan met het verstrekken van politiegegevens. Dat deed zij ook in de periode tussen haar vertrek bij naam organisatie en de oprichting van naam Stichting. Aan die verstrekkingen lagen geen afspraken ten grondslag, waarin naam B.V. naam betalingen of diensten in het vooruitzicht stelde. Het is aannemelijk dat naam in haar gedrevenheid voor slachtoffers op vrijwillige basis politiegegevens gaf aan de advocaten van naam B.V. die de slachtoffers in een letselschadeprocedure bijstonden. Naam verlangde daarvoor geen vergoeding of tegenprestatie van naam B.V.. Om die reden is het ook aannemelijk dat naam in de toekomst politiegegevens zou zijn blijven verstrekken, los van de vraag of naam B.V. haar daarvoor een vergoeding of tegenprestatie zou geven.

Onder deze omstandigheden kan niet worden bewezen dat naam door de betalingen en werkzaamheden van naam B.V. ten behoeve van naam Stichting is bewogen tot het verstrekken van politiegegevens en dat naam B.V. die betalingen en werkzaamheden ook met dat oogmerk verrichtte. Er bestaat – kort gezegd – onvoldoende causaal verband tussen de hulp vanuit naam B.V. aan naam Stichting en de door naam aan naam B.V. geleverde politiegegevens. Dat causale verband ontbreekt in beide richtingen. De ontvangen politiegegevens waren niet de reden dat naam B.V. naam Stichting hielp en de hulp van naam B.V. was voor naam niet de reden om politiegegevens aan naam B.V. te verstrekken.

86 facturen van naam Stichting

In december 2011 en januari 2012 werden door naam B.V. in totaal 86 facturen van naam Stichting betaald. Die facturen hebben betrekking op dossiers waarin naam politiegegevens aan de advocaten van naam B.V. verstrekte in de jaren 2010 en 2011. Daarmee lijkt sprake van een duidelijk verband tussen de verstrekkingen en de betalingen.

De wijze waarop de lijst van 86 dossiers waarin is gefactureerd tot stand is gekomen, vormt daarvoor echter een sterke contra-indicatie. De betrokken advocaten gingen eind 2011 hun letselschadedossiers door om te kijken in welke zaken naam informatie aan hen had verstrekt en die resultaten dienden als basis voor de facturen. Wanneer voorafgaand aan de verstrekkingen het doel al was dat daarvoor betaald zou worden, dan zou ten tijde van de verstrekkingen door de advocaten, of in elk geval door naam, geregistreerd zijn welke verstrekkingen plaatsvonden. Het is dan ook niet aannemelijk dat naam de politiegegevens in deze 86 zaken heeft verstrekt, omdat zij daarvoor een vergoeding zou ontvangen. Ook is niet gebleken dat naam eind 2011 wilde stoppen met het verstrekken van politiegegevens, zodat deze betalingen nodig waren om naam te bewegen ook in de toekomst politiegegevens te verstrekken.

Tegen deze achtergrond is de verklaring van medeverdachte hierover van belang. Die houdt in dat hij aan naam voorstelde om naam B.V. te laten betalen voor de geleverde informatie, zodat naam niet meer in de avonduren hoefde schoon te maken om de kosten van naam Stichting te kunnen betalen. Die verklaring past bij de hiervoor beschreven reële mogelijkheid dat naam B.V. betalingen en werkzaamheden verrichtte ten behoeve van naam Stichting, zodat naam B.V. in de toekomst via naam Stichting mogelijk nieuwe cliënten zou kunnen krijgen. Die mogelijkheid zou wegvallen wanneer naam Stichting het hoofd financieel niet boven water kon houden.

Onder deze omstandigheden kan ook niet worden bewezen dat naam door de betaling van de 86 facturen is bewogen tot het verstrekken van politiegegevens en dat naam B.V. die betalingen ook met dat oogmerk verrichtte.

Verklaringen naam

Uit onderdelen van de verklaringen van naam zou afgeleid kunnen worden dat naam B.V. wel bewoog tot het verstrekken van politiegegevens door de steun aan naam Stichting en de betalingen aan naam eenmansbedrijf. Bij het trekken van conclusies uit de verklaringen van naam moet echter voorzichtig te werk worden gegaan. Het lijkt er vooral op dat zij achteraf, en tegen de achtergrond van haar inverzekeringstelling en de diverse verhoren in korte tijd, de motieven en intenties vanuit naam B.V. in twijfel is gaan trekken. Daarbij lijkt ook mee te spelen dat naam als gevolg van haar aanhouding is gaan nadenken over wat er allemaal gebeurd is. Op basis van de verklaringen van naam kan niet worden vastgesteld dat zij, voorafgaand aan haar aanhouding, zelf dacht dat naam B.V. naam Stichting steunde en naam eenmansbedrijf betaalde om te zorgen dat zij politiegegevens zou (blijven) leveren. Dat maakt dat de verklaringen van naam onvoldoende aanknopingspunten bieden om toch wel tot een bewezenverklaring van omkoping te komen.

Conclusie: er is geen sprake van omkoping

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de ten laste gelegde betalingen en diensten door naam B.V. niet zijn verricht met het oogmerk om naam te bewegen om aan naam B.V. en haar advocaten politiegegevens te verstrekken. Daarom zal verdachte van feit 1 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, worden vrijgesproken.
 

Werd het ambtsgeheim van naam geschonden (feit 1 subsidiair)?

Schenden van het ambtsgeheim

De rechtbank stelde hiervoor vast dat naam de politiegegevens onrechtmatig verstrekte aan naam B.V. en haar advocaten. Zij moest op grond van de Wpg deze informatie geheimhouden. Ook behoorde het verstrekken van politiegegevens niet tot haar taak. Doordat zij deze informatie wel verstrekte, schond zij haar ambtsgeheim. De rechtbank stelde hiervoor ook vast dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de verstrekkingen door naam onrechtmatig waren. Dit gold in de gegeven omstandigheden voor naam evenzeer, te meer nu zij bij haar indiensttreding op 31 juli 2008 onder meer een geheimhoudingsverklaring had ondertekend. Dat brengt de rechtbank bij de vraag in hoeverre verdachte als feitelijk leidinggever van naam B.V. dan wel als medepleger zich aan het schenden van het ambtsgeheim van naam heeft schuldig gemaakt.

Medeplegen door naam B.V. (eerste cumulatief/alternatief)

De rechtspersoon naam B.V. kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt als strafbare gedragingen redelijkerwijs aan naam B.V. kunnen worden toegerekend. Wanneer sprake is van een gedraging die wordt verricht in de sfeer van de rechtspersoon, kan die in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

De advocaten van naam B.V. verzochten naam structureel om gegevens te verstrekken die naam niet mocht verstrekken. Naam zocht deze gegevens op in de systemen en vervolgens namen de advocaten van naam B.V. deze gegevens in ontvangst. Onder die omstandigheden is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de advocaten van naam B.V. en naam bij het schenden van het ambtsgeheim van naam. Naam schond haar ambtsgeheim immers op verzoek en ten behoeve van advocaten van naam B.V.

De relevante gedraging voor het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim van naam is het opvragen van politiegegevens bij naam. Binnen de letselschadeafdeling van naam B.V. was het staande praktijk om politiegegevens op te vragen bij naam. Dit werd door de partners, medewerkers en advocaat-stagiairs gedaan. Daarmee is sprake van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon die in redelijkheid aan naam B.V. kan worden toegerekend.

Dit betekent dat naam B.V. zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim van naam.

Feitelijk leidinggeven door verdachte aan het medeplegen van naam B.V.

Nu is vastgesteld dat naam B.V. een strafbaar feit heeft begaan, komt de rechtbank toe aan het beantwoorden van de vraag of verdachte als feitelijk leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Daarvoor is het volgende van belang.

Verdachte was degene die de letselschadepraktijk van eerst naam kantoor en later naam B.V. opstartte. Zij hield zich gedurende de ten laste gelegde periode (vrijwel) uitsluitend bezig met letselschadezaken. Zij was de patroon van medeverdachte en leerde hem het vak van letselschadeadvocaat. De andere advocaten van naam B.V. die zich met letselschadezaken bezighielden, leerden het vak weer van verdachte en medeverdachte. Dat had ook betrekking op het opvragen van politiegegevens bij naam. Verdachte wist ook dat naam op enig moment in 2010 was vertrokken bij naam organisatie. Gedurende de gehele ten laste gelegde periode was verdachte als partner van naam B.V. verantwoordelijk voor de letselschadeafdeling binnen het kantoor. Zij gaf hier samen met medeverdachte, die vanaf 1 januari 2011 ook partner werd, leiding aan.

Vanuit haar positie binnen de letselschadeafdeling van naam B.V. was verdachte in staat en bevoegd om wijzigingen in het werkproces te initiëren of zelfs op te leggen. Zeker omdat verdachte zelf andere medewerkers een werkproces (politiegegevens opvragen bij naam) aanleerde dat inmiddels was achterhaald, was zij ook redelijkerwijs gehouden dat te doen.

Verdachte betwist dat zij wist dat deze gewijzigde situatie van invloed moest zijn op de bevoegdheden van naam om politiegegevens te verstrekken. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het vertrek van naam bij naam organisatie daarop wel van invloed was. Van verdachte mag dan ook verwacht worden dat zij ten behoeve van haar eigen zaken en die van haar medewerkers had onderzocht of liet onderzoeken of de verstrekkingen van naam rechtmatig bleven na haar vertrek bij naam organisatie. Nu verdachte dit in het geheel heeft nagelaten, waardoor de bij naam B.V. gangbare praktijk van opvragen van gegevens bij naam werd voortgezet, kan zij als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor het door naam B.V. gepleegde strafbare feit.

Medeplegen door verdachte (tweede cumulatief/alternatief)

De rechtbank begrijpt de tenlastelegging zo dat het tweede cumulatief/alternatief van feit 1 subsidiair betrekking heeft op die zaken waarin verdachte zelf – al dan niet samen met anderen van naam B.V. – gegevens bij naam heeft opgevraagd. Daarmee ziet de verdenking van het tweede cumulatief/alternatief op een kleiner aantal zaken dan de verdenking van het eerste cumulatief/alternatief. Het eerste cumulatief/alternatief gaat immers over alle gegevens die door een of meer van de medewerkers van naam B.V. bij naam zijn opgevraagd, dus ook de gevallen waarbij verdachte zelf bij het opvragen van die gegevens geen directe betrokkenheid had.

De rechtbank stelt vast dat in de ten laste gelegde periode in twee dossiers die in behandeling waren bij verdachte, door naam politiegegevens zijn verstrekt. Verdachte vroeg die gegevens bij naam op en nam die van naam in ontvangst. Dit terwijl – zoals hiervoor is vastgesteld – verdachte de aanmerkelijke kans aanvaardde dat sprake was van een onrechtmatige verstrekking. Ten aanzien van de andere zaken waarin medewerkers van naam B.V. gegevens bij naam opvroegen, kan niet vastgesteld worden dat verdachte bij het opvragen direct betrokken was. Van medeplegen is in die zaken geen sprake.

Conclusie: er is sprake van het schenden van een ambtsgeheim

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim van naam. Als feitelijk leidinggever van naam B.V. gaat het om vertrouwelijke documenten die betrekking hebben op 135 zaken van naam B.V.. Als medepleger gaat het om vertrouwelijke documenten die betrekking hebben op twee zaken van verdachte.
 

Feit 2

Was sprake van heling (feit 2 primair)?

De rechtbank stelt vast dat bij naam B.V. politiegegevens aanwezig waren die door naam waren verstrekt. Naam B.V. en verdachte verkregen die politiegegevens door het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim van naam. De aanwezige politiegegevens waren dan ook afkomstig van misdrijven die naam B.V. en verdachte zelf medepleegde.

De zogenaamde ‘heler-steler’-regel houdt in dat het niet mogelijk is om een voorwerp dat door een eigen misdrijf is verkregen, te helen. Om die reden kan feit 2 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, niet worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Was sprake van witwassen (feit 2 subsidiair)?

In witwaszaken geldt niet een vergelijkbare regel als de zogenaamde ‘heler-steler’-regel. Een verdachte kan een voorwerp witwassen dat afkomstig is van een door hemzelf gepleegd misdrijf. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt echter dat wanneer sprake is van een eigen misdrijf, niet elke witwashandeling de kwalificatie witwassen rechtvaardigt. Dat is alleen zo als die handeling bijdraagt aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp.

De rechtbank kan niet vaststellen dat ten aanzien van de bij naam B.V. aangetroffen politiegegevens sprake was van handelingen die de criminele herkomst daarvan verborg of verhulde. Daarmee staat vast dat van een strafbare vorm van witwassen geen sprake is. Daarom oordeelt de rechtbank dat ook feit 2 subsidiair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, niet is bewezen. Verdachte zal daarvan, om doelmatigheidsredenen, worden vrijgesproken.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1 subsidiair, eerste en tweede cumulatief/alternatief: feitelijk leiding geven aan medeplegen van een geheim waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en medeplegen van een geheim waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt verplicht is te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging

Geen straf of maatregel wordt opgelegd.

 

Lees hier de volledige uitspraken: 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF