Verduistering in dienstbetrekking door ambtenaar provincie, valsheid in geschrift, veranderen van computergegevens en gewoontewitwassen. Uitleg begrip ambtenaar.

Gerechtshof Amsterdam 1 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4405

De verdachte heeft zich gedurende een periode van twee jaren schuldig gemaakt aan het oplichten van de Provincie Noord-Holland, waar hij als medewerker basisadministratie bij de Afdeling Administratieve Financiële Dienstverlening werkzaam was.

De verdachte heeft zich in dit verband eveneens schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en het veranderen van computergegevens, waardoor de Provincie Noord-Holland in totaal zes keer is bewogen geldbedragen - van in totaal € 82.193,00 - naar een bankrekeningnummer over te maken dat niet correspondeerde met het bankrekeningnummer van de begunstigde van de subsidie. Voorts was de verdachte uit hoofde van zijn dienstbetrekking kasbeheerder van de kleine kas van de Provincie Noord-Holland, waardoor hij de beschikking had over een pinpas waarmee hij telkens een geldopname tot een bedrag van € 500,00 kon verrichten. De verdachte heeft gedurende een periode van vier jaren meermalen geld opgenomen en verduisterd, ter hoogte van een totaalbedrag van € 8.250,00.

De verdachte heeft voornoemde geldbedragen naar eigen inzicht besteed, waarmee hij zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.
 

Standpunt verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van de ambtsplicht en dat de verdachte van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de functie van verdachte, medewerker basisadministratie, louter intern is gericht en geen openbaar karakter draagt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Voorop wordt gesteld dat het begrip ‘ambtenaar’ ruim dient te worden uitgelegd. Iemand kan als ambtenaar worden aangemerkt als hij door het openbaar gezag is aangesteld tot een openbare betrekking om een deel van de taak van de staat of zijn organen te verrichten. In de jurisprudentie wordt door de Hoge Raad daarnaast mede als ‘ambtenaar’ begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld, in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd.

De verdachte was in de tenlastegelegde periode door de Provincie Noord-Holland (het openbaar gezag) aangesteld als medewerker basisadministratie bij de Afdeling Administratieve en Financiële Dienstverlening bij de Provincie Noord-Holland en dient derhalve reeds uit dien hoofde als ambtenaar

te worden aangemerkt. Overigens merkt het hof op dat de verdachte in het kader van het uitoefenen van die functie misbruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en middelen die hem door zijn ambt zijn geschonken, nu het verstrekken van subsidies en subsidiegelden en het uitgeven van algemene middelen bij uitstek behoort tot het domein van de overheid in casu de provincie.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1,2, 3: de voortgezette handeling van valsheid in geschrift, terwijl bij het begaan van het feit gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken en opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen en worden verwerkt en worden overgedragen, veranderen, terwijl bij het begaan van het feit gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken, meermalen gepleegd en oplichting, terwijl bij het begaan van het feit gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken, meermalen gepleegd.
  • Feit 4 subsidiair: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, terwijl bij het begaan van het feit gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken, meermalen gepleegd.
  • Feit 5: van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
     

Strafoplegging

Een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar.
 

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 210.632,31, later kennelijk naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 111.407,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van € 11.407,00. Daarnaast heeft de advocaat van de benadeelde partij, mr. M.C. Jonkman, verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

In een reeds tussen de provincie (als eiseres) en de verdachte en zijn echtgenote (als gedaagden) gevoerde civiele procedure, waarin de provincie een bedrag van € 210.632,31 vorderde, welke procedure heeft geleid tot het vonnis van 11 mei 2016 zijn gedaagden - kort samengevat - veroordeeld tot (terug)betaling van het bedrag dat de verdachte zich onrechtmatig heeft toegeëigend alsmede tot betaling van € 20.000,00 aan onderzoekskosten. Dit laatste bedrag achtte de rechtbank redelijk en redelijkerwijs noodzakelijk, waarbij de rechtbank - kort samengevat - overwoog dat in het licht van het uitgebreide verweer het op de weg van de provincie had gelegen haar stellingen nader te onderbouwen. Het hof stelt voorop dat de provincie er kennelijk vanaf heeft gezien van voornoemd vonnis in hoger beroep te gaan (waarbij de vordering had kunnen worden aangepast) en constateert dat de provincie in de strafprocedure een nieuwe schadepost aanbrengt, te weten interne kosten strafzaak [naam 6] ad € 11.406,86. Deze vordering wordt onderbouwd door een bijlage waarin ten aanzien van drie provinciemedewerkers wordt aangegeven dat hun inzet ieder 36 uren was en ten aanzien van een medewerker dat de inzet 72 uren was, overeenkomend met één werkweek respectievelijk twee werkweken, waaruit het hof afleidt dat stelposten worden gehanteerd in plaats van een (deugdelijke) tijdregistratie. In het licht van hetgeen eerder in de civiele procedure met betrekking tot de noodzakelijk te maken kosten is overwogen en gezien de magere onderbouwing van de in hoger beroep ingediende vordering is het hof van oordeel dat, aangezien de vordering gemotiveerd is betwist, de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom niet in de vordering worden ontvangen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF