Rb: niet nodig tegenprestatie bij niet-ambtelijke omkoping te specificeren in tenlastelegging

Rechtbank Amsterdam 30 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4774

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijke beschreven is nu uit de tenlastelegging niet blijkt wat de tegenprestatie is geweest voor de onder 1 ten laste gelegde giften. Dit onderdeel is essentieel voor een eventuele bewezenverklaring en moet dus ook nader gespecifieerd worden in de tenlastelegging. Het is voor de verdediging nu niet duidelijk waarop de verdenking precies ziet en waar de verdediging zich dus tegen moet verdedigen. De dagvaarding voldoet daarom niet aan de eisen van artikel 261, eerste lid, Sv en moet om die reden nietig worden verklaard, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste jurisprudentie met betrekking tot omkoping als bedoeld in artikel 328 ter van het Wetboek van Strafrecht volgt dat aan de delictsbestanddelen ‘in strijd met zijn plicht’ en ‘in zijn bediening iets doen of nalaten’ voldoende feitelijke betekenis toekomt. Deze begrippen komen gelijke betekenis toe voor wat betreft de in de dagvaarding genoemde bestanddelen ‘in strijd met de goede trouw’ en ‘in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten’. Dit leidt ertoe dat het niet noodzakelijk is om deze begrippen in de tenlastelegging nader te concretiseren en dus ook in dit geval de tegenprestatie niet nader hoeft te worden beschreven.

Tegen de achtergrond van het dossier, is het bovendien voor de verdediging duidelijk dat het gaat om de verdenking dat de Verdachte, in zijn hoedanigheid als manager bij Naam Bedrijf geld heeft aangenomen en in ruil daarvoor schoonmaakopdrachten zou hebben toegewezen aan verschillende onderaannemers, waaronder het schoonmaakBedrijf van Naam Persoon 1.

De rechtbank oordeelt dat de tenlastelegging voor wat betreft feit 1 voldoende feitelijk, begrijpelijk en niet innerlijk tegenstrijdig is en daarmee voldoet aan de eisen van artikel 261, eerste lid, Sv. Het verweer wordt verworpen en de dagvaarding is ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geldig.
 

Vrijspraak

De Verdachte wordt verweten dat hij, als manager bij Naam Bedrijf, een geldbedrag van in totaal €2.895 van Naam Persoon 1 (als onderaannemer van Naam Bedrijf) en €20.850 aan cash (stortingen) heeft ontvangen en in ruil daarvoor schoonmaakopdrachten heeft toegekend aan het Bedrijf van deze Naam Persoon 1 en andere onderaannemers van Naam Bedrijf.

Vast staat dat Naam Persoon 1 in de periode van 6 januari 2011 tot en met 4 april 2012 zes keer een geldbedrag – in totaal €2.895 – heeft overgemaakt naar de bankrekening van de Verdachte. De Verdachte heeft hierover verklaard dat hij Naam Persoon 1 een geldbedrag van €3.000 had geleend omdat Naam Persoon 1 financiële problemen zou hebben en voor zijn zieke moeder in Marokko moest zorgen. Deze financiële problemen zouden – onder andere – zijn ontstaan doordat Naam Bedrijf haar betalingsverplichtingen jegens Naam Persoon 1 niet zou zijn nagekomen. Elke keer als Naam Persoon 1 wat geld over had, heeft hij de Verdachte per bank een afbetaling gedaan, aldus de Verdachte ter terechtzitting. Naam Persoon 1 heeft niet het volledige geldbedrag per bank voldaan, omdat hij voor de Verdachte een kleedje uit Marokko zou hebben meegebracht. De verklaring van Naam Persoon 1 over de zestal overboekingen komt overeen met wat de Verdachte hierover heeft verklaard.

De verklaring van de Verdachte over de door hem aan Naam Persoon 1 verstrekte lening en de daarna door Naam Persoon 1 op zijn bankrekening overgemaakte geldbedragen is niet op voorhand ongeloofwaardig en wordt bovendien niet ontkracht door enig bewijsmiddel. Ook indien wordt uitgegaan van de stelling van het openbaar ministerie dat geen sprake is van een geldlening maar een gift, dan wordt op geen enkele wijze specifiek gemaakt dat de door Naam Persoon 1 overgemaakte geldbedragen zijn te relateren aan een of meer concrete door de Verdachte aan hem verstrekte schoonmaakopdrachten dan wel andere gunsten. Kortom, niet is vast komen te staan of aannemelijk gemaakt dat tegenover de betalingen een tegenprestatie stond en dat is een essentieel vereiste om te kunnen spreken van omkoping.

Daar komt bij dat in het dossier staat gerelateerd dat de omkoping zou hebben bestaan uit het afgeven van contante geldbedragen, terwijl de betalingen van Naam Persoon 1 aan de Verdachte per bank hebben plaatsgevonden en daardoor zichtbaar en herleidbaar zijn. Bovendien betreft het geen substantieel geldbedrag – overgemaakt in een periode van vijftien maanden – waaruit zonder meer kan worden afgeleid dat sprake moet zijn van omkoping.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geldbedrag van in totaal €20.850, bestaande uit contante stortingen, geeft het dossier geen enkel aanknopingspunt dat dit giften betreffen. Ook als er al van wordt uitgegaan dat deze contante geldbedragen giften zijn geweest, kan nog niet worden vastgesteld wie deze giften heeft gedaan en of tegen het doen van deze giften een tegenprestatie stond. De omstandigheid dat de verklaring van de Verdachte over de herkomst van deze €20.850 de rechtbank niet direct overtuigt en hij pas ter terechtzitting voor het eerst heeft verklaard dat een gedeelte hiervan afkomstig is uit de verkoop van het huis (in Turkije) van zijn overleden vader, maakt dat niet anders.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank, anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw, van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet kan worden bewezen. De Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

Verdachte wordt wel veroordeeld wegens valsheid in geschrift nu hij, als manager bij Naam Bedrijf, valsheid in geschrifte heeft gepleegd door op een manurenstaat de Naam van een Persoon en gewerkte uren te vermelden, terwijl in werkelijkheid niet deze Persoon maar iemand anders de werkzaamheden heeft verricht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF