Ontvangen gift als lasthebber van de reclassering t.b.v. aftekenen uren taakgestraften. Conclusie AG over aannemen gift en verzwijgen strijd met de goede trouw (art. 328ter Sr).

Hoge Raad 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2961

Bij arrest van 10 december 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens het, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan dan wel zal doen, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd (feit 1) en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 2).
 

Middel

Het tweede middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake is van een gift, van het aannemen van die gift in zijn betrekking en het verzwijgen daarvan in strijd met de goede trouw als bedoeld in art. 328ter Sr in strijd is met het recht, althans onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
 

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.
 

Conclusie AG

11. De klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte geldbedragen heeft aangenomen en dit heeft verzwegen, faalt. Uit de tot het bewijs gebezigde weergave van camerabeelden blijkt immers dat de verdachte twee maal bankbiljetten (of op bankbiljetten lijkende papieren) van de getuige betrokkene 1 heeft aangenomen (bewijsmiddel 3). Voorts volgt uit de aangifte van betrokkene 3 (bewijsmiddel 1) dat Reclassering Nederland niet van het aannemen van geld door de verdachte op de hoogte was tot het moment waarop de verdachte aan de Reclassering vertelde dat betrokkene 4 hem had gevraagd of hij van omkoping wist en of er geld was aangeboden om een werkstraf niet te hoeven uitvoeren, naar aanleiding waarvan medewerkers van Reclassering Nederland de desbetreffende beelden hebben opgevraagd.

12. Het middel bevat voorts de klacht dat geen sprake zou zijn van een gift in de zin van art. 328ter Sr. In dit verband trekt de steller van het middel de vergelijking met een schenking als bedoeld in art. 7:175 BW, die een overeenkomst om niet behelst, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt. Aangezien betrokkene 1 heeft verklaard dat hij geld heeft betaald in ruil voor een tegenprestatie, daarin bestaande dat er voor zijn werkstraf getekend zou worden, kan volgens de steller van het middel niet van een gift worden gesproken. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het begrip ‘gift’ als bedoeld in art. 328ter moet worden gelijkgeschakeld met de term ‘schenking’ in de zin van art. 7:175 BW, faalt het, omdat deze opvatting geen steun vindt in het recht. Voor strafbaarheid ingevolge art. 328ter Sr is vereist dat de gift in relatie staat tot een verrichte of te verrichten prestatie, welke relatie wordt uitgedrukt in het bestanddeel “naar aanleiding van”. Uit de bewijsmiddelen heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte de geldbedragen heeft ontvangen in ruil voor het aftekenen van gewerkte uren op ‘urenlijst werkstraf’. De klacht faalt.

13. Gelet op het voorafgaande kan ook de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte de betalingen heeft aangenomen in zijn betrekking en deze in strijd met de goede trouw heeft verzwegen, niet slagen. Uit de bewijsmiddelen heeft het hof immers kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte in ruil voor de van betrokkene 1 ontvangen bedragen door betrokkene 1 te werken uren heeft afgetekend op de lijst waarop de verdachte, als lasthebber van Reclassering Nederland, bijhield hoeveel uren de onder zijn hoede vallende taakgestraften nog dienden te werken. Het door de verdediging in hoger beroep geschetste mogelijke alternatieve scenario dat de verdachte “weleens heeft bemiddeld bij het verkopen van horloges”, hetgeen “betekent dat er weleens geld is overhandigd” en “het best mogelijk zou zijn dat er gesproken is over of dat er ontmoetingen zijn geweest met betrekking tot de verkoop van een horloge”, is door het hof kennelijk als zo onwaarschijnlijk beschouwd, dat het geen uitdrukkelijke weerlegging behoefde. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF