Herzieningsverzoek vanwege verjaring na veroordeling voor passieve niet-ambtelijke omkoping 

Hoge Raad 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1308

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 februari 2012 – verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar, een geldboete van €250.000 en een taakstraf van 200 uren voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 2) en het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd (feit 3).

De Hoge Raad heeft het tegen dit arrest ingestelde beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard bij arrest van 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1980.

De aanvraag tot herziening berust op de stelling dat ten aanzien van feit 3 sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.

Beoordeling van de aanvraag

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen Verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

Het onder 3 tenlastegelegde, dat volgens de bewezenverklaring is begaan in de periode vanaf de maand juli 2000 tot en met de maand februari 2003, is strafbaar gesteld bij art. 328ter Sr. Op dit misdrijf was ten tijde van het tenlastegelegde een gevangenisstraf gesteld van ten hoogste een jaar. Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2015 van de wet van 19 november 2014, Stb. 2014, 445, is op dit misdrijf een gevangenisstraf gesteld van ten hoogste vier jaren.

De aanvraag berust op de opvatting dat in de onderhavige zaak moet worden uitgegaan van het strafmaximum van art. 328ter Sr zoals dat gold ten tijde van het onder 3 tenlastegelegde en dat derhalve uiterlijk op 1 maart 2015 het recht tot strafvordering van dit feit, dus vóór het onherroepelijk worden van 's Hofs uitspraak door de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op 12 mei 2015, reeds was verjaard.

Die opvatting is onjuist. In geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring geldt immers in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (vgl. HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231). Dit betekent dat, gelet op de in 3.2 genoemde wet van 19 november 2014, het recht tot strafvordering van het onder 3 tenlastegelegde ten tijde van de uitspraak van de Hoge Raad van 12 mei 2015 niet was verjaard.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF