Gevangenisstraf voor schending van een ambtsgeheim

Rechtbank Gelderland 4 mei 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:2515

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen medeplegen van schending van een ambtsgeheim. Het initiatief lijkt hierbij te zijn uitgegaan van verdachte. Hij heeft zijn stiefdochter, zijnde politieambtenaar, meermaals gevraagd om informatie te verstrekken met betrekking tot subjecten die gerelateerd zijn aan het strafrechtelijke onderzoek naam 6. Deze informatie heeft hij vervolgens doorgespeeld naar verdachten binnen dit onderzoek, terwijl hij wist dat deze vertrouwelijke informatie afkomstig was uit politiesystemen. Hiermee heeft hij ook nog eens misbruik gemaakt van zijn positie als stiefvader en heeft hij zijn stiefdochter in een lastige situatie gebracht.

Aanleiding onderzoek

In 2012 start de dienst regionale recherche van de politie eenheid Oost-Nederland district Gelderland-Midden het onderzoek ‘naam 6’, een onderzoek naar grootschalige hennepteelt en daaraan verbonden witwassen in crimineel verband. Het onderzoek is onder meer gericht op een growshop in Velp, geëxploiteerd door naam 1, naam 2 en naam 7, allen verdachten in dit onderzoek. Gedurende dit onderzoek worden zogenaamde OVC-gesprekken opgenomen (Opnemen Vertrouwelijke Informatie), onder andere in de growshop. Daarbij ontstaan vermoedens dat de verdachten politie-informatie ontvangen over het lopende onderzoek. Tijdens een oriënterend feitenonderzoek door de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) van de politie eenheid Oost-Nederland ontstaan vermoedens dat medeverdachte vertrouwelijke politie-informatie zou verstrekken aan verdachte (de ex-partner van de moeder van medeverdachte), die vervolgens deze informatie weer door zou hebben gegeven aan naam 1. Naar aanleiding van deze bevindingen is het onderzoek overgedragen aan de Rijksrecherche, die vervolgens start met het onderzoek ‘Eekhoornvis’.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op enige wijze heeft deelgenomen aan schending van een ambtsgeheim. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte zichzelf niet herkend als deelnemer aan de OVC-gesprekken. Bovendien is niet te achterhalen of medeverdachte na het inloggen de beschikbare onderliggende informatie ook daadwerkelijk heeft geraadpleegd. Ten aanzien van het tenlastegelegde onder het tweede gedachtestreepje is aangevoerd dat de vraag is wat de relevantie van deze informatie zou zijn geweest voor het onderzoek naam 6 en voorts niet duidelijk is geworden of en in hoeverre schade is berokkend aan dit lopende onderzoek.

Beoordeling door de rechtbank

Politie-informatiesystemen

Agenten kunnen met behulp van Basisvoorziening integraal bevragen (BVI-IB) tegelijkertijd meerdere informatiesystemen doorzoeken, zoals Basis Voorziening Handhaving (BVH) en BlueSpot. BVH wordt gebruikt voor het opmaken en inzien van incidenten, aangiftes en strafdossiers. BlueSpot is een applicatie waarmee landelijke BVH-systemen kunnen worden doorzocht. Om via hun BlackBerry toegang te krijgen tot deze systemen moeten agenten inloggen met hun eigen account en een zelf aangemaakt wachtwoord. Deze inloggegevens worden opgeslagen en zijn traceerbaar. Wanneer een zoekopdracht wordt gegeven, verschijnen enkele tabbladen met de voorhanden zijnde informatiesystemen. Daarop kan worden doorgeklikt en zo kan de onderliggende informatie worden ingezien, zoals processen-verbaal en mutaties. Indien dit gebeurt via BlueSpot dan wordt niet opgeslagen of, en zo ja, welke informatie in BlueSpot is geraadpleegd.

Feiten en omstandigheden

De tenlastelegging omvat vier gedachtestreepjes, waarbij elk gedachtestreepje ziet op een ‘lekmoment’. De rechtbank zal allereerst per lekmoment de relevante feiten en omstandigheden bespreken.

Tijdstippen sms-berichten

De politie heeft vastgesteld dat de printlijstgegevens van het telefoonnummer van medeverdachte andere tijdstippen laten zien dan de tijdstippen in haar telefoon. Het verschil betreft ongeveer 58 minuten. Gezien de grotere mate van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van printlijstgegevens ten opzichte van de aangegeven tijd op telefoontoestellen (die immers handmatig kan worden aangepast), is in het zaaksdossier aangesloten bij de printlijstgegevens, zoals op pagina 13 en 25 van het dossier weergegeven. De rechtbank zal bij het opnemen van de tijdstippen in de bewijsmiddelen uitgaan van de tijdstippen op de printlijstgegevens.

Contactpersoon

Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat met naam 1 en naam 2 informatie uit politiesystemen werd gedeeld door en onbekende man (N1), in latere gesprekken ook wel ‘voornaam 1 ‘genoemd.

De stem van deze onbekende persoon in de hiervoor aangehaalde gesprekken, met uitzondering van het gesprek van 25 februari 2014 in Amsterdam, is door verbalisant verbalisant 1 herkend als de stem van medeverdachte verdachte. Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij zijn stem in de betreffende OVC-gesprekken niet herkent, staat voor de rechtbank vast dat verdachte deze man is. In het OVC-gesprek van 9 september 2014 deelt de man (die hier ‘voornaam 1 ‘wordt genoemd) namelijk specifieke informatie over zichzelf die overeenkomt met hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard. Zo vertelt ‘voornaam 1 ‘in het OVC-gesprek onder meer dat zijn afkomst moeder leeftijd 1 jaar oud is, dat hij zelf leeftijd 2 jaar oud is en hij vroeger een café heeft gehad. Ter zitting heeft verdachte deze informatie bevestigd.

Daarnaast is de auto met kenteken 5 op 17 maart 2014 om 13.52 uur, voorafgaand aan het OVC gesprek van die dag in de growshop om 14.00 uur, gezien bij deze growshop. Deze auto staat op naam van de schoonzoon van verdachte. Deze auto staat op naam van de schoonzoon van verdachte. Verdachte heeft bij de politie verklaard gebruik te maken van deze auto.

Bovendien heeft tijdens het OVC-gesprek op 9 september 2014 in growshop growshop, ‘NN1’ gezegd dat hij op 27 september met vakantie gaat. De telefoon van verdachte bevat een inkomend sms-bericht d.d. 27 september 2014 met de beltarieven in Spanje en verder berichten dat ze zijn geland, over mooi weer, liggen op het strand etc.

Op grond van vorenstaande staat voor de rechtbank vast dat verdachte de persoon is geweest die informatie heeft verstrekt aan de verdachten uit het naam 6 onderzoek.

Bron bij de politie

Nu vast staat dat verdachte met de verdachten in het naam 6-onderzoek informatie heeft gedeeld die afkomstig is uit politie-informatiesystemen, dient de rechtbank vervolgens de vraag te beantwoorden hoe verdachte aan deze informatie kwam. De rechtbank is van oordeel dat medeverdachte de persoon is die in de politiesystemen heeft gezocht en de geraadpleegde informatie heeft doorgegeven aan verdachte. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier blijkt dat binnen de onderzoeksperiode van 1 januari 2011 tot en met 10 december 2014 met het account van medeverdachte 48 raadplegingen zijn gedaan op verdachten uit het naam 6 -onderzoek. Medeverdachte heeft hiervoor geen enkele logische verklaring kunnen geven.

Bij de politie heeft medeverdachte verklaard weleens een kenteken te hebben opgevraagd voor haar vader. Hieruit volgt voor de rechtbank dat medeverdachte in essentie geen principiële bezwaren heeft tegen het opvragen van informatie uit politiesystemen ten behoeve van derden.

Dat medeverdachte degene is geweest die de informatie doorspeelde aan verdachte wordt bovendien bevestigd door het feit dat verdachte in de OVC-gesprekken telkens spreekt van een ‘zij’ en hij in deze gesprekken informatie geeft over zijn bron bij de politie, welke informatie te herleiden is naar medeverdachte.

Zo zegt verdachte in één van de gesprekken ‘want zij zegt ja hij weet het niet want hij is nou ook in dienst (…) militair dus’. medeverdachte heeft verklaard dat haar man bij defensie werkt. Daarnaast geeft verdachte in een OVC-gesprek op 8 april 2014 aan dat ‘ze’ drie dagen in plaats 2 zit, waarmee hij klaarblijkelijk verwijst naar degene die hem informatie verschaft. Uit informatie van de afdeling opleidingen blijkt dat medeverdachte op 8, 9 en 10 april 2014 cursus heeft gevolgd bij het naam 13 -trainingscentrum in plaats 2.

Tijdens een ander OVC-gesprek zegt verdachte dat ‘zij’ iets van 20 oktober op vakantie gaat. Dit wordt bevestigd door sms-berichten op de telefoon van medeverdachte. Op 25 oktober 2014 ontvangt zij namelijk een sms’je van T-Mobile met daarin onder meer de tekst: ‘Welkom in Spanje’ en kort na ontvangst van dit sms’je stuurt medeverdachte naar haar moeder: ‘Wij zijn veilig geland! X’.

Door de verdediging is aangevoerd dat niet achterhaald kan worden of medeverdachte na het inloggen heeft doorgeklikt en daarmee kennis heeft genomen van onderliggende informatie en tevens niet kan worden vastgesteld of en op welke wijze medeverdachte informatie aan verdachte heeft doorgegeven. Dat verweer is op zichzelf juist; het systeem registreert niet welke onderliggende informatie is geraadpleegd nadat een zoekopdracht is ingegeven. Dat weerhoudt de rechtbank echter niet van haar conclusie. Immers, er is sprake van vier verschillende lekmomenten, waarbij het verband tussen de inloggegevens en de informatie die daarbij geraadpleegd kon worden enerzijds en het verband tussen de inloggegevens en hetgeen is besproken in de OVC-gesprekken anderzijds, zodanig specifiek en concreet is, dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dan dat medeverdachte de informatie, zoals tenlastegelegd, heeft geraadpleegd in de politiesystemen en heeft doorgegeven aan verdachte.

Artikel 7 lid 1 van de Wet Politiegegevens

Nu vast staat dat verdachte informatie, afkomstig uit politiesystemen heeft verstrekt aan subjecten van het naam 6 -onderzoek en hij deze informatie kreeg van medeverdachte, is de laatste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden of de informatie die medeverdachte deelde met verdachte in casu als ‘geheim’ als bedoeld in artikel 272 Sr moet worden beschouwd.

De geheimhoudingsplicht van medeverdachte volgt uit artikel 7 van de Wet Politiegegevens. Dit artikel bepaalt dat de ambtenaar van de politie aan wie politiegegevens ter beschikking zijn gesteld in beginsel verplicht is tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift tot verstrekking verplicht, de bepalingen van paragraaf 3 verstrekking toelaten of de politietaak in bijzondere gevallen tot verstrekking noodzaakt.

Van enige uitzonderingsgrond is uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet gebleken. Medeverdachte mag ambtshalve bekend worden verondersteld met deze geheimhoudingsplicht die haar niet de bevoegdheid bood om buiten het door de wetgever beoogde regime politiegegevens te verstrekken. Zij wist dat zij de informatie uit de politiesystemen niet mocht delen, maar deed dit toch.

De verdediging heeft aangevoerd dat informatie die in de OVC-gesprekken naar voren komt met betrekking tot de hennepkwekerij in Epe ook vanuit publieke bron bekend had kunnen zijn bij verdachte. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu de informatie dat naam 1 nog steeds in het systeem voor komt, niet uit enige publieke bron bekend kon zijn. Het gaat ook niet zozeer om de informatie dat een inval had plaatsgevonden in een hennepkwekerij en dat er mensen waren aangehouden. Uit het geciteerde OVC-gesprek blijkt dat naam 4 informatie wilde in hoeverre hij in dat verband genoemd werd en of er verklaringen waren afgelegd bij de politie.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte de persoon is geweest die medeverdachte om informatie uit de politiesystemen vroeg en deze informatie vervolgens door gaf aan naam 1 en naam 2. Hiermee heeft verdachte een essentieel aandeel gehad in het overbrengen van de vertrouwelijke informatie, nu van enig rechtstreeks contact tussen medeverdachte en de naam 6-verdachten niet is gebleken.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke schending van een ambtsgeheim.

Bewezenverklaring

Medeplegen van opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF