Artikel: Rechterlijke toetsing van de vervolgingsbeslissing

Het Openbaar Ministerie mag zich de laatste tijd weer verheugen in de warme belangstelling van de wetenschap. Er zijn kort na elkaar twee oraties over de institutionele en rechtstatelijke positie van het OM verschenen. Het interessante empirische proefschrift van Joep Lindeman borduurt in zekere zin voort op het veldwerk dat Henk van de Bunt ruim dertig jaar geleden heeft verricht. Al van wat langer geleden dateren de beschouwingen van Mevis over de toekomst van het OM. Specifiek over de vraag of het Nederlandse opportuniteitsbeginsel nog wel te handhaven is in het licht van Europeesrechtelijke ontwikkelingen heeft Geelhoed een belangrijke studie geschreven. Het OM is ook een dankbaar onderwerp, want het heeft de afgelopen decennia een bewogen bestaan gekend: ‘Never a dull moment’. Het verhaal is bekend en laat zich in grote lijnen als volgt samenvatten. Na de Tweede Wereldoorlog is de criminaliteit in Nederland aanzienlijk toegenomen, deels ten gevolge van de enorme groei van het bijzondere strafrecht, deels door toedoen van intensievere sociale interactie die weer samenhing met de groei van bevolking, mobiliteit en welvaart. Vanzelfsprekend nam door die ontwikkelingen de druk op het strafrecht toe, waarbij moet worden aangetekend dat de notie dat strafrechtelijke handhaving een ultimum remedium is breed gedragen werd (en wordt!). In dat spanningsveld ging het OM zich steeds meer toeleggen op het voeren van beleid, waarbij het snel en adequaat wenste te reageren op maatschappelijke ontwikkelingen. Naast de klassieke vervolging zagen andere afdoeningsmodaliteiten het licht of werden de mogelijkheden om die aan te wenden verruimd (transactie, voorwaardelijk sepot, strafbeschikking etc.). De overgang van het ‘negatieve opportuniteitsbeginsel’ – in principe wordt tot vervolging overgegaan, tenzij er goede redenen zijn om dat niet te doen – naar het ‘positieve opportuniteitsbeginsel’ – tot vervolging wordt besloten als dit het algemeen belang dient, hetgeen betekent dat de beslissing een extra rechtvaardiging vergt – hangt hier uiteraard mee samen. Intussen verkeerde het OM dikwijls in zwaar weer. Het kreeg de kritiek te verduren van de alsmaar mondiger burger die enerzijds vaak op hoge toon eist dat de overheid hard optreedt tegen allerlei vormen van criminaliteit en anderzijds allergisch is voor betuttelende autoriteiten en zich niet de wet laat voorschrijven. Bovendien moest het OM zijn autonomie bewaken tegenover de politiek en de zittende magistratuur en de eigen positie markeren ten opzichte van de politie. Dat dit alles niet zonder slag of stoot ging laat zich raden. Ik hoef bij dit ingewijde lezerspubliek alleen maar de termen ‘IRT-crisis’ en ‘Dokters van Leeuwen-affaire’ te laten vallen. In deze moeilijke omstandigheden heeft het OM zich gaandeweg ontwikkeld tot een strak geleide organisatie die efficiëntie en transparantie hoog in het vaandel heeft staan. Het College van Procureurs-Generaal zet aan de hand van richtlijnen en – na 1999 – beleidsregels de lijnen uit, waaraan de leden van de organisatie – van hoofdofficier tot parketsecretaris – geacht worden zich te houden. Als betrekkelijke buitenstaander krijg je wel eens het idee dat deze zakelijke en hiërarchische aanpak er vooral toe strekt om de onafhankelijkheid tegen verdere uitholling te verdedigen:

‘Wij zijn professionals en leggen verantwoording af – binnen en buiten het strafproces – waar dat nodig is, maar laat ons vooral ons werk doen en kijk ons niet te veel op de vingers’.

Na deze zeer korte tour d’horizon wil ik wat langer stilstaan bij één aspect dat nog wel eens als een bedreiging van de autonomie van het OM wordt gezien: de rechterlijke toetsing van de vervolgingsbeslissing. Zoals bekend, voorziet het Nederlandse strafprocesrecht in die mogelijkheid, maar de wetgever is hiermee niet al te scheutig geweest. De verdachte – en alleen hij (of zij) – kan op grond van artikel 262 Sv zich verzetten tegen vervolging door een bezwaarschrift tegen de dagvaarding in te dienen, maar de daaropvolgende toetsing door de rechter is (zeer) marginaal en geldt alleen de haalbaarheid van de vervolging. In het spiegelbeeldige geval – beklag tegen niet (verdere) vervolging, geregeld in artikel 12-12l Sv, is de kring van potentiële klagers groter – de wet spreekt van ‘rechtstreeks belanghebbenden’ – en kan het Hof ook de opportuniteit van de vervolging in zijn oordeel betrekken. Maar vrij algemeen wordt toch aangenomen dat de toetsing van de opportuniteit door het Hof marginaal moet geschieden, omdat anders de niet-politiek verantwoordelijke rechter teveel op de stoel van het OM zou gaan zitten. Met dat standpunt wordt de onafhankelijkheid van het OM dus gesauveerd. Buruma heeft kortgeleden ervoor gepleit om de rechterlijke controle mogelijkheden van de vervolgingsbeslissingen juist wat te verruimen, in de zin dat ook in het kader van een bezwaarschriftenprocedure de opportuniteit aan de orde kan komen. Hij wil daarmee een dam opwerpen tegen de zogenoemde ‘flutzaken’ waarbij het verwijt aan het adres van de verdachte wel heel gering is en hij betreurt het dat in de Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering die opening niet is geschapen. Voorlopig laat ik de Nederlandse rechtspraktijk even rusten, deels omdat ik meen dat de basics wel genoegzaam bekend zijn en deels omdat anderen met meer kennis van en inzicht in het onderwerp hier al over hebben geschreven. Ik wil mij toeleggen op een terrein waar ik wel wat meer van af weet en waar soortgelijke kwesties spelen rond de verhouding tussen aanklager en rechter bij de beslissing over de vervolging: de rechtspleging door internationale straftribunalen en het Internationale Strafhof (hierna: ICC).

Lees verder:

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF