Vrijspraak voor Bossche ex-ambtenaar & eigenaar adviesbureau wegens omkoping, veroordeling tot taakstraf voor oplichting en valsheid in geschrift

Rechtbank Oost-Brabant 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5478

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, een 63-jarige (inmiddels) ex-ambtenaar, zich als gemeente ambtenaar heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift meermalen gepleegd en aan het medeplegen van oplichting meermalen gepleegd. 

 

Feit 1 primair en subsidiair: vrijspraak oplichting

De officier van justitie heeft tot een bewezenverklaring gerekwireerd van het primair ten laste gelegde. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

De rechtbank is van oordeel dat de primair ten laste gelegde feitelijke gedragingen weliswaar wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, doch dat deze gedragingen geen listige kunstgreep en/of samenweefsel van verdichtsels opleveren, zodat het feit om die reden niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Immers is in de verfeitelijking enkel vermeld dat verdachte, nadat de offerte van architectenbureau ad € 50.000,- bij hem bekend was geworden, aan architectenbureau heeft meegedeeld dat hij meer zat te denken aan een bedrag van rond € 40.000,-. Die enkele omstandigheid levert geen listige kunstgreep en/of samenweefsel van verdichtsels op.

Voor wat betreft het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde – waarin wel een nadere verfeitelijking is opgenomen, te weten dat verdachte op de hoogte was van de lagere offerte van VHV Architecten op het moment dat hij met Lammers ging onderhandelen – geldt dat medeplichtigheid aan oplichting van de gemeente ten laste is gelegd. Verdachte zou betrokkene 1 (technisch directeur van architectenbureau) behulpzaam zijn geweest bij de oplichting. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake is van medeplichtigheid van verdachte, omdat betrokkene 1 niet als pleger van het feit kan worden aangemerkt. Tegenover de ontkenning van de medeverdachte betrokkene 1 ten aanzien van de wetenschap van het bestaan van een aanbestedingstraject waarbij ook twee andere bedrijven geoffreerd hadden, staan onvoldoende dragende feiten en omstandigheden uit het dossier waaruit het tegendeel volgt.

Feit 4: vrijspraak aannemen van steekpenningen

De officier van justitie heeft tot een bewezenverklaring gerekwireerd. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

De rechtbank oordeelt als volgt. Gelet op na te melden bewezenverklaring van feit 3 acht de rechtbank het op zich aannemelijk dat verdachte in ruil voor de door zijn toedoen aan medeverdachte gegunde opdrachten enig geldelijk gewin heeft genoten. Het dossier bevat daar naar het oordeel van de rechtbank ook aanwijzingen voor, waaronder de analyse van de geldstromen en de agenda’s van verdachte en medeverdachte in de periode van januari 2008 tot en met december 2010.

Het dossier bevat evenwel onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op grond waarvan kan worden vastgesteld dat en concreet op welke wijze c.q. in welke vorm verdachte geldbedragen heeft ontvangen van medeverdachte. Op grond van de analyse kan worden geconcludeerd dat verdachte contante geldstortingen heeft gedaan in periodes dat medeverdachte contante opnames heeft gedaan van ongeveer dezelfde bedragen. Hier blijft het echter bij. De bedragen en opname- c.q. stortingsdata sluiten niet altijd één op één aan. Ook zijn er geen verklaringen waaruit blijkt dat verdachte daadwerkelijk geld heeft ontvangen van medeverdachte. De enkele verklaring van getuige 1 dat hij verdachte een keer uit het kantoor van medeverdachte heeft zien komen met in zijn hand bankbiljetten, is daarvoor onvoldoende. Ook het ‘beeld’ dat in het dossier van verdachte wordt geschetst door een collega is daartoe onvoldoende. 

De officier van justitie heeft er op gewezen dat verdachte heeft nagelaten een afdoende verklaring te geven voor de stortingen van de contante geldbedragen. Van cruciaal belang op dit punt is echter – zoals ook aangevoerd door de verdediging – het tijdsverloop in deze zaak, hetgeen niet aan verdachte is toe te rekenen. De bankafschriften van verdachte zijn onderzocht voor wat betreft de periode van december 2007 tot en met april 2011. De ten laste gelegde gedragingen dateren uit het tijdvak juli 2008 tot en met september 2010, de interviews door bedrijfsrecherche bedrijfsrecherche vonden plaats in 2010 waarbij over steekpenningen niet werd gerept, de verhoren bij de rijksrecherche vonden eerst plaats in 2014 en de dagvaarding dateert thans van januari 2016. Door dit tijdsverloop is de verdediging ernstig belemmerd bij het formuleren van een concrete weerlegging en het geven van een alternatief scenario voor wat betreft de stortingen van contant geld. Het kan de verdediging in die zin dan ook niet verweten worden dat zij niet met een beter onderbouwd alternatief scenario komt met betrekking tot de contante geldopnames. Daar komt bij dat – hoewel het de rechtbank niet erg aannemelijk voorkomt – niet, althans niet buiten redelijke twijfel, kan worden uitgesloten dat de verklaring van verdachte juist is ten aanzien van de wijze waarop hij gaten van zijn lopende bankrekening opvulde met geld dat hij via zijn creditcard opnam. 

Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het ten laste gelegde aannemen van steekpenningen door verdachte.

Feit 2: valsheid in geschrift

De officier van justitie heeft tot een bewezenverklaring gerekwireerd, ook ten aanzien van het medeplegen. De verdediging heeft vrijspraak bepleit, om reden dat de Gemeente ’s-Hertogenbosch door het vervalsen van de processen-verbaal van aanbesteding niet zou zijn benadeeld.

De rechtbank overweegt dat verdachte heeft bekend dat hij in het kader van de aanbestedingsprocedure van de werken ten aanzien van Theater Artemis telkens slechts één offerte heeft opgevraagd bij een bouw- c.q. installatiebedrijf van zijn keuze ( bouwbedrijf 1 respectievelijk bouwbedrijf 2 ), terwijl hij in het proces-verbaal van aanbesteding telkens valselijk ook de namen en offertebedragen van twee andere bedrijven heeft opgenomen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ‘de namen en de offertebedragen van de bedrijven die het werk niet gegund hebben gekregen, maar wel zijn genoemd in het proces-verbaal van aanbesteding, uit zijn duim heeft gezogen’. Verdachte heeft daarmee tweemaal in een proces-verbaal van aanbesteding, op 3 respectievelijk 9 december 2009, valselijk twee namen en twee offertebedragen opgenomen, terwijl deze processen-verbaal van aanbesteding als bewijs dienen van een correct gevolgde procedure van aanbesteding, gelijk verdachte zelf ook onderkende in zijn interview met de onderzoekers van bedrijfsrecherche op 4 augustus 2010.

Dat de gemeente hierdoor niet (financieel) zou zijn benadeeld valt achteraf niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen, doch is voor de beoordeling ook niet relevant, nog afgezien van het feit dat het correct naleven van de aanbestedingsprocedure op zichzelf geacht moet worden het gemeentelijk belang te dienen, waar het gaat om het aanzien en de betrouwbaarheid van de (gemeentelijke) overheid.

De rechtbank is van oordeel dat van medeplegen geen sprake is, omdat wat betreft het mede ondertekenen van de processen-verbaal van aanbesteding door de collega van verdachte, betrokkene 2, niet kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het vervalsen van dit proces-verbaal. Verdachte wordt van dit onderdeel van de tenlastelegging onder feit 2 dan ook vrijgesproken.

Feit 3: oplichting

De officier van justitie heeft tot een bewezenverklaring gerekwireerd.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, zich daarbij op het standpunt stellende dat daadwerkelijk adviesrapportages door bedrijf medeverdachte zijn opgemaakt en ook daadwerkelijk werkzaamheden door bedrijf medeverdachte zijn verricht; verdachte zou als projectleider bij de Gemeente ’s-Hertogenbosch niet deskundig genoeg zijn geweest om de inhoud van de adviesrapportages op inhoud en waarde te beoordelen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hierna te noemen feiten en omstandigheden vastgesteld kan worden dat de (advies)werkzaamheden door medeverdachte niet, althans slechts voor een deel, zijn verricht en dat het deel dát is verricht niet in relatie staat tot het door verdachte gefactureerde bedrag. 

Digitaal onderzoek in deze zaak heeft opgeleverd dat in ieder geval een aantal van de beweerdelijk door medeverdachte aangeleverde adviesrapportages zijn opgemaakt nadat verdachte op non-actief was gesteld in september 2010 en nadat vanuit de Gemeente ’s-Hertogenbosch om deze adviesrapportages werd gevraagd, dit terwijl een aantal van deze adviesopdrachten reeds uit 2008 dateerden en ook kort daarop zijn betaald. Uit dit onderzoek is verder gebleken dat door medeverdachte slechts één of enkele minuten aan deze adviesrapportages is gewerkt, waarbij vastgesteld wordt dat medeverdachte heeft verklaard dat hij alleen werkte en dat alleen hij de adviesrapportages opmaakte. De stelling dat de adviesrapportages pas zijn opgemaakt nadat door de Gemeente ’s-Hertogenbosch om deze rapportages werd gevraagd, vindt mede steun in het gegeven dat de betreffende rapportages door geen van de betrokkenen bij de betreffende projecten zijn gezien of aangetroffen, dat medeverdachte niet wordt uitgenodigd op enige bouwvergadering bij deze projecten, dat de rapportages bij de Gemeente ’s-Hertogenbosch niet digitaal zijn opgeslagen in het daarvoor aangewezen systeem en dat deze rapportages ook na gerichte zoekacties in de kasten op de betreffende afdelingen van de projecten bij de Gemeente ’s-Hertogenbosch niet fysiek zijn aangetroffen, ook niet op de door verdachte beschreven locaties. De verklaring van verdachte dat hij alle adviesrapportages fysiek en in tweevoud van medeverdachte heeft ontvangen en in de betreffende kasten op de afdeling heeft gelegd, acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet geloofwaardig en de rechtbank gaat aan die verklaring dan ook voorbij.

Voorts blijkt uit het rapport van naam rapporteur 1 dat de door medeverdachte op verzoek van de gemeente in december 2010 ingeleverde rapportages zo zeer onder de maat zijn dat deze niet als zodanig hadden mogen worden geaccepteerd en zeker niet de waarde vertegenwoordigden waarvoor zij waren gegund aan medeverdachte door verdachte. Het verweer van verdachte dat hij niet deskundig genoeg was om de inhoud van de rapporten van medeverdachte te beoordelen, komt op de rechtbank niet geloofwaardig over, vooral gelet op het – volgens alle betrokkenen aan wie de rapportages werden getoond – in het oog springende gebrek aan inhoud en niveau van de ingediende rapportages. Van verdachte had – als projectleider van de Gemeente ’s-Hertogenbosch – kunnen worden verwacht dat hij zodanig deskundig was op zijn werkgebied dat hij kon beoordelen of de adviesrapportages van medeverdachte voldeden aan de aan medeverdachte gegunde opdrachten, in ieder geval in die zin dat verdachte had kunnen en moeten beoordelen of uit de rapporten voldoende bleek op welk(e) project(en) het advies van toepassing was en of en zo ja, in welke mate de rapporten de bij de gemeenten en/of bij de bij de projecten betrokken personen levende vragen beantwoordden. 

Het rapport van naam onderzoeksbureau 3 is op dit punt echter klip en klaar. Geconcludeerd wordt dat de rapportages generlei waarde hebben voor het doel waarvoor deze zijn aangevraagd en zeker niet de waarde vertegenwoordigen van het gedeclareerde factuurbedrag. Voorts blijkt – onder meer – uit de getuigenverklaring van de collega projectleider van verdachte, betrokkene 3 , dat hij direct kan zien dat de aan hem getoonde adviesrapportages van medeverdachte van zeer slechte kwaliteit zijn. Dit alles had ook verdachte, gelet op zijn functie, duidelijk kunnen en moeten zijn.

Door – in samenwerking met medeverdachte – adviesopdrachten aan medeverdachte te gunnen en facturen bij de gemeente in te dienen (en goed te keuren) ter betaling van de advieswerkzaamheden terwijl er door medeverdachte geen respectievelijk volstrekt benedenmaatse rapportages waren ingediend, waarbij verdachte mogelijk zichzelf doch in ieder geval medeverdachte heeft bevoordeeld, heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan oplichting van de gemeente als hierna bewezen verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte (partieel) dient te worden vrijgesproken met betrekking tot het project HBS Waterleidingstraat. medeverdachte is, zo blijkt uit de stukken in het dossier, aanvankelijk als adviseur betrokken geweest bij het project HBS Waterleidingstraat. Tegen die achtergrond valt niet buiten gerede twijfel vast te stellen dat te zake de indiening, goedkeuring en betaling van de voor dit project ingediende facturen sprake is van oplichting. Immers valt niet uit te sluiten dat medeverdachte eenvoudigweg een (slecht) contractueel bedongen product heeft geleverd.

Bewezenverklaring 

  • Feit 2:valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 3 primair: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Strafoplegging 

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Rechtbank Oost-Brabant 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5481

Ten aanzien van de 72-jarige eigenaar van een adviesbureau acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting van een gemeente, meermalen gepleegd. 

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens om samen met zijn mededader de benadeelde gemeente een schadevergoeding te betalen.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF