Veroordeling voormalig CEO energiebedrijf Electrabel wegens valsheid in geschrift, vrijspraak feitelijk leidinggeven aan omkoping door Electrabel

Rechtbank Noord-Nederland 10 november 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4951

De Noordelijke Fraudekamer heeft de voormalig CEO van het energiebedrijf Electrabel veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voor het plegen van valsheid in geschrift. De rechtbank acht bewezen dat hij door middel van een brief aan de Belastingdienst heeft proberen te verhullen dat er bij de onderhandelingen in 2006 tussen Electrabel en het Drentse energiebedrijf Rendo over de overname van het leveringsbedrijf van Rendo een bedrag van 1 miljoen euro aan smeergeld is betaald aan de voormalig directeur van Rendo. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het verwijt dat hij leiding heeft gegeven aan het plegen van omkoping door Electrabel, nu er geen bewijs voor is dat Electrabel van de omkoping wist of daar anderszins voor verantwoordelijk kan worden gehouden. De vraag of de verdachte zelf strafbaar heeft gehandeld kan de rechtbank niet beantwoorden, nu hem dat niet is tenlastegelegd. De opgelegde straf valt om die reden aanzienlijk lager uit dan de officier van justitie had geëist.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft hij daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte 2 ambtenaar was, dat er geen bewijs is voor de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke handelingen van verdachte 2 en dat het ten laste gelegde verband tussen de betaling en het handelen of nalaten door verdachte 2 al of niet in strijd met zijn plicht niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De raadsman heeft geconcludeerd dat de overname van Rendo door Electrabel volgens de regels en zuiver is verlopen en niet wederrechtelijk verstoord of beïnvloed is door verdachte 2, Electrabel en/of verdachte zelf. De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank twijfelt aan deze conclusie, een deskundige te benoemen die de overname van Rendo door Electrabel kan beoordelen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de facturen niet zijn aan te merken als een vervalst geschrift in de zin van artikel 225 Wetboek van Strafrecht, omdat er een prestatie van verdachte 2 tegenover stond. Voorts heeft Electrabel niet opzettelijk gebruik gemaakt van een vals geschrift, nu niet bewezen kan worden dat Electrabel danwel verdachte wist of had moeten weten dat de facturen vals waren of dat de specificatie niet zou volgen. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat de brief niet vals is nu de inhoud van die brief conform de waarheid is, en er geen sprake is geweest van een oogmerk tot misleiding.

Het oordeel van de rechtbank

Algemene overwegingen met betrekking tot de feiten

De rechtbank gaat op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen uit van de navolgende algemene gang van zaken met betrekking tot de ten laste gelegde feiten1.

Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was medeverdachte verdachte 2 algemeen directeur van energiebedrijf N.V. Rendo Holding (hierna: Rendo). Onder deze holding sorteerden Rendo Beheer B.V., N.V. Rendo en Rendo Energielevering B.V. In Rendo Energielevering B.V. was de commerciële energiedistributie (levering van energie) ondergebracht.

Daarnaast had verdachte 2 een eigen onderneming, naam organisatie/verdachte, van welke onderneming verdachte 2 99% van de aandelen in bezit had.

Verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten Chief Executive Officer (CEO) van –kortgezegd– Electrabel Nederland (hierna: Electrabel). Electrabel had zich ten doel gesteld haar aanwezigheid in de klein zakelijke en consumentenmarkt (retail) voor elektriciteit en gas aanzienlijk uit te breiden (exclusief netwerk) en was in dat kader op zoek naar de overname van een reeds in Nederland actieve energieleverancier. Bij deze zoektocht is Rendo in beeld gekomen. Verdachte heeft, blijkens een aantekening in zijn persoonlijk aantekenboekje, op 14 februari 2006 een gesprek met verdachte 2 gevoerd over een mogelijke overname van de energieleveringstak van Rendo door Electrabel, waarin hij namens Electrabel een indicatief bod op dit deel van Rendo aan verdachte 2 heeft voorgelegd.

Verdachte heeft over deze ontmoeting in zijn aantekenboekje opgeschreven:

“- € 305/aansluiting = € 61,5 mio totaal (uitgaande van ca. 202.000 aansluitingen)
- verdachte 2 zeer positief. Schat bedrag € 61,5 mio als zeer goed haalbaar bij aandeelhouders. Medewerkers en directeuren overnemen; helpt zeker om deal rond te maken. Management (= verdachte 2 ) zal sterk positief adviseren + proces begeleiden vanwege aandeelhouders.
- prijs absoluut hetzelfde houden; dus niet aanpassen aan aantal aansluitingen. Blijft interessant voor aandeelhouders. Vraagt fee voor medewerking. Komt neer op ca. € 1 mio; schriftelijke bevestiging.”

Nog dezelfde dag heeft verdachte middels een e-mail zijn leidinggevende een terugkoppeling van (de inhoud van) voormeld gesprek gegeven. In deze e-mail heeft verdachte onder meer verwoord dat verdachte 2 zeer positief gereageerd heeft op het overnamevoorstel van Electrabel en zich bereid verklaard heeft mee te werken aan het welslagen van het bod. Voorts heeft verdachte in D-10 aangetekend:

“verdachte 2 is zeer geïnteresseerd om zelf bij te dragen aan de overname. (...) Hij kan naar mijn oordeel van grote waarde zijn voor ons in het overnametraject en wellicht ook daarna in het integratietraject. Hij heeft een fee van € 1 mio voor zijn bemiddeling geclaimd. (…) Ik breng onder de aandacht dat als de stelling van verdachte 2 juist is mbt het aantal (gestegen) aansluitingen en we in staat zouden zijn om de prijs op € 61,5 mio te houden, we de kosten van zijn inschakeling snel hebben terugverdiend”.

Uit het dossier, te weten een e-mailbericht van 16 februari 2006 gericht aan verdachte5, blijkt dat de inhoud van de bovenbedoelde e-mail intern bij Electrabel is besproken. Uit de e-mail van 16 februari 2006 blijkt dat de eerdergenoemde leidinggevende van verdachte, leidinggevende, een maximale premie van 500.000 euro voor ogen had. Vervolgens heeft verdachte op 17 februari 2006 een e-mail aan verdachte 2 gestuurd6 die een uitwerking bevat van de voorwaarden waaronder Electrabel bereid zou zijn om een eventuele beloning aan verdachte 2 uit te betalen. Kort samengevat komen deze voorwaarden erop neer dat een eventuele betaling transparant en kenbaar voor alle betrokkenen moet zijn en dat slechts betaald zal worden naar aanleiding van een concrete tegenprestatie, uit te voeren na de afronding van het biedingsproces. In dit e-mailbericht heeft verdachte verder (onder meer) het volgende opgenomen:

“Uitgangspunt is dat er ons veel aan gelegen is dat we een deal kunnen maken met de aandeelhouders van Rendo over de overname van Rendo Levering (…) We zijn er zeer in geïnteresseerd om u te kunnen inzetten in het traject dat we na de overname zullen moeten doorlopen. (…) Wij overwegen daarom om na de overname aan jou of aan een door jou aangewezen vennootschap voor een periode van – zeg – twee jaar een opdracht te geven voor de uitvoering van bovenbeschreven werkzaamheden en eventuele aanvullende activiteiten voor een bedrag van € 250.000 per jaar (…) We (zijn) aanvullend bereid een bonus van € 100.000 aan te bieden, die tot uitbetaling komt als blijkt dat aan de gestelde targets is voldaan (…) Het zou kunnen zijn dat we in bepaalde omstandigheden nog bijzonder advies van je behoeven (…) In dergelijke gevallen zijn we graag bereid nadere afspraken met jou of een door jou aangewezen vennootschap te maken.”

Blijkens het aantekenboekje van verdachte hebben hij en verdachte 2 op 21 februari 2006 een volgend gesprek7. Omtrent dit gesprek heeft verdachte aangetekend:

“privé deal: na acquisitie; verdachte 2 inhuren, eventueel via BV; afspraak: ± 1 mio te verdienen met management van retailactiviteiten; Niets op papier: gentleman’s agreement! verdachte 2 !”

Ondertussen was het proces van onderhandelen over en bieden op de energieleveringstak van Rendo door Electrabel gestart, hetgeen uiteindelijk op 1 oktober 2006 resulteerde in de overname door Electrabel van de aandelen van dit onderdeel van Rendo.

In de op deze overname volgende periode van 13 november 2006 tot en met 15 juni 2007 zijn door Electrabel, ter attentie van verdachte, zeven facturen van naam organisatie/verdachte8 ontvangen, waarna de bedragen vermeld op die facturen in de periode van 14 december 2006 tot en met 22 oktober 2007 door Electrabel zijn overgemaakt op de rekening van naam organisatie/verdachte. Bij elkaar opgeteld behelzen de facturen een bedrag van precies 1 miljoen euro ex BTW.

Op de zeven facturen staat telkens vermeld: "Honorarium voor verrichte advieskosten: De specificatie zal u separaat worden toegezonden".

Tussenconclusie

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte en verdachte 2 op 14 februari 2006 een eerste verkennend gesprek hebben gevoerd over de mogelijke overname door Electrabel van Rendo Energielevering. Reeds bij dit eerste gesprek, en in het kader van de bespreking van de mogelijke overname, heeft verdachte 2 aan verdachte gevraagd om een fee van 1 miljoen euro ten behoeve van – zo blijkt uit de weergave in het aantekenboekje en uit de e-mail van 14 februari 2006 aan leidinggevende – zijn medewerking en bemiddeling bij het overnametraject. Namens Electrabel heeft verdachte positief op dit verzoek gereageerd; uit de aangehaalde stukken blijkt ook duidelijk dat de medewerking van verdachte 2 door verdachte als zeer van belang voor een soepele en succesvolle overname werd beschouwd.

Van de zijde van Electrabel is aanvankelijk aangestuurd op een beloning die eerst zijn beslag zou krijgen na de overname, slechts betaald zou worden als er in de periode na de overname concrete feitelijke werkzaamheden door verdachte 2 zouden zijn verricht, en die transparant en voor alle betrokkenen kenbaar zou zijn. In het gesprek tussen verdachte 2 en verdachte op 21 februari 2006 is echter besloten om deze afspraak niet op schrift te stellen. Dit hield tevens in dat deze afspraak niet kenbaar zou worden gemaakt aan de respectievelijke leidinggevenden, waardoor van enige transparantie en goedkeuring van de afspraak geen sprake meer kon zijn. Op 21 februari 2006 hebben verdachte en verdachte 2 tevens besloten de afspraak over de betaling van 1 miljoen euro te continueren ondanks de eerdere reactie van leidinggevende dat een premie/fee van 1 miljoen euro niet acceptabel werd geacht. Bovendien stond reeds op die datum kennelijk vast dat de beloning een bedrag van 1 miljoen euro zou inhouden, ongeacht de aard of omvang van de werkzaamheden die verdachte 2 (al dan niet) nog in de toekomst zou verrichten.

Vast staat dat in de maanden na de overname op 1 oktober 2006 door Electrabel inderdaad een bedrag van 1 miljoen euro is uitgekeerd via de betaling van de zeven hiervoor aangehaalde facturen aan naam organisatie/verdachte.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank niet gebleken dat door of vanwege naam organisatie/verdachte enig advieswerk is verricht voor of ten behoeve van Electrabel en/of verdachte, laat staan de werkzaamheden die verdachte aan verdachte 2 in zijn e-mailbericht van 17 februari 2006 heeft voorgesteld. De rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat de facturen op de kosten voor dergelijke werkzaamheden zien, omdat de periode van werkzaamheden die in de e-mail wordt voorgesteld (twee jaar) langer is dan de periode van ruim 8 maanden waarbinnen de facturen ter betaling zijn ingediend. Bovendien correspondeert het totaalbedrag van de zeven facturen niet met het in de e-mail van 17 februari 2006 voorgestelde bedrag en de omschrijving van de werkzaamheden op de facturen (“advieskosten”) niet met de door verdachte voorgestelde retailwerkzaamheden.

In de administratie van Elektrabel is geen specificatie van deze facturen aangetroffen.

Uit een eerst op 17 maart 2010 door verdachte aan getuige 2 van Electrabel, overgelegde specificatie is op te maken dat de bedragen van de facturen zouden zien op de kosten van (de ontwikkeling van) een computerprogramma dan wel prestatieverbeteringen die het gevolg zouden zijn van een computermodel. In een tweetal brieven aan de Belastingdienst (van 9 december 2011 en 7 januari 2012) heeft verdachte 2 betoogd dat naam organisatie/verdachte, in de persoon van getuige 1, een (computer)programma heeft ontwikkeld dat besparingen zou kunnen opleveren bij de inkoop van energie en dat de facturen van naam organisatie/verdachte zagen op de in dit kader gemaakte kosten.

Deze onderbouwing van de facturen acht de rechtbank niet geloofwaardig. Daartoe overweegt de rechtbank dat niemand binnen Electrabel heeft bevestigd dat naam organisatie/verdachte voor Electrabel een dergelijk computer- of besparingsprogramma heeft ontwikkeld en dat het programma zelf, noch enige documentatie hieromtrent, is aangetroffen bij Electrabel en/of verdachte 2 en/of naam organisatie/verdachte. Bovendien heeft getuige 1, die als ontwikkelaar van het programma door verdachte 2 naar voren wordt geschoven, ontkend voormeld computerprogramma te hebben gebouwd, waarbij hij heeft verklaard hiertoe ook niet in staat te zijn omdat hij daarvoor te weinig verstand van computers heeft.

Hieruit volgt tevens dat de rechtbank de verklaring van verdachte 2 dat hij via naam organisatie/verdachte met behulp van getuige 1 een computerprogramma heeft geleverd ten bedrage van 1 miljoen euro niet geloofwaardig acht. De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek van de officier van justitie tot het horen van getuige 1 als getuige derhalve af.

Voorts acht de rechtbank van belang dat ook verdachte heeft verklaard dat hij geen wetenschap heeft van voormeld computerprogramma en dat hij niet heeft bevestigd dat de facturen zagen op kosten verband houdende met dit programma.

Van enig andere legitieme onderbouwing van de facturen en de betaling van 1 miljoen euro aan naam organisatie/verdachte is de rechtbank niet gebleken.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte 2 – via naam organisatie/verdachte – een bedrag van 1 miljoen euro heeft ontvangen zonder enige aanwijsbare concrete tegenprestatie, verricht na de overname van de aandelen van Rendo Energielevering door Electrabel. De conclusie is derhalve gerechtvaardigd dat deze betaling de weerslag is geweest van de afspraken die in februari 2006, derhalve voor de overname, tussen verdachte en verdachte 2 zijn gemaakt over de bemiddelende en meewerkende rol die verdachte 2 in het overnametraject zou spelen. De rechtbank komt hier in het navolgende, bij de bespreking van de tenlastegelegde feiten, nog nader op terug.

Ambtenaarschap

Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte 2 in de ten laste gelegde periode worden aangemerkt als ambtenaar. Daartoe overweegt zij als volgt.

Het begrip ‘ambtenaar’ in de zin van het Wetboek van Strafrecht moet op grond van de geldende jurisprudentie aldus worden uitgelegd dat daaronder tevens is begrepen:

degene die onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte 2 zijn werkzaamheden als algemeen directeur van Rendo onder toezicht en verantwoordelijkheid van de (gemeentelijke) overheid heeft verricht. Hierbij gaat de rechtbank uit van het volgende. In de statuten van Rendo12 is bepaald dat alleen gemeenten aandeelhouder van Rendo kunnen zijn. In de ten laste gelegde periode werden negen gemeenten vertegenwoordigd in de Algemene vergadering van Aandeelhouders (hierna: AvA) van Rendo en bestond de Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van Rendo tevens uit vertegenwoordigers van die gemeenten. Uit de statuten van Rendo blijkt dat de vennootschap wordt bestuurd door een directie die onder toezicht staat van de RvC, dat directieleden worden benoemd door de AvA en dat alleen de AvA een directielid kan ontslaan. Voorts blijkt uit deze statuten dat het salaris en de overige arbeidsvoorwaarden van de directieleden worden geregeld bij schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen de vennootschap als werkgever, vertegenwoordigd door de RvC, en het directielid als werknemer en dat directiebesluiten zijn onderworpen aan goedkeuring door de AvA en/of de RvC.

De rechtbank is tevens van oordeel dat verdachte 2 was aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. Daarbij is het volgende van belang. verdachte 2 was in de ten laste gelegde periode algemeen directeur van Rendo. Dit Rendo-concern hield zich bezig met de distributie van gas en elektriciteit via een eigen netwerk. Tot de vrijmaking van de gas- en elektriciteitsmarkt in 2004 waren zowel de distributie als het netwerkbeheer publieke taken. Na het ontstaan van de vrije markt werd de distributie van gas en elektriciteit een commerciële taak. Rendo voerde deze commerciële taak uit naast de resterende publieke taak van netbeheer. Vervolgens is in 2006 het wetsvoorstel Wet Onafhankelijk Netbeheer (de zogenaamde Splitsingswet) ontstaan dat zag op het bewerkstelligen van een volledige splitsing van het netwerkbedrijf enerzijds en het productie- en/of leveringsbedrijf anderzijds. Teneinde uitvoering te geven aan de Splitsingswet heeft Rendo besloten haar commerciële leveringstak af te stoten aan een derde. Naar het oordeel van de rechtbank behelst deze uitvoering van de Splitsingswet bij uitstek en naar haar aard een publieke taak, welke taak door de aandeelhouders van Rendo werd opgedragen aan verdachte 2, als algemeen directeur van Rendo. verdachte 2 had, los van eventuele andere commerciële activiteiten, een duidelijke opdracht van de aandeelhoudende gemeenten, te weten het bewerkstellingen van het afstoten van de energieleveringstak van Rendo. Juist met het uitvoeren van deze publieke taak was verdachte 2 belast toen hij op 14 februari 2006 met verdachte de mogelijke overname van het energieleveringsdeel van Rendo door Electrabel besprak.

Feit 1

Op grond van de voorgaande overwegingen en tussenconclusies staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat de medeverdachte verdachte 2 zich als ambtenaar heeft laten omkopen, door in strijd met zijn plicht te vragen om, en later de belofte en de gift daarvan te accepteren van, een bedrag van 1 miljoen euro ten behoeve van zijn medewerking en welwillende opstelling in het onderhandelingsproces tussen Rendo en Electrabel. Daarbij wijst de rechtbank er op dat niet vereist is dat bewezen kan worden dat sprake is van een direct verband tussen de gift en/of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, maar dat er ook een bewezenverklaring kan volgen indien een gift en/of belofte is gedaan teneinde aldus een relatie met diegene te doen ontstaan en/of onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen. (vgl. Hoge Raad 20 juni 2006, NJ 2006, 380). De rechtbank acht hiermee vergelijkbaar de situatie die in het onderhavige geval aan de orde is, namelijk dat de belofte en later de gift bewust zijn gedaan om ervoor te zorgen dat verdachte 2, die als algemeen directeur van Rendo een invloedrijke stem had in het onderhandelingsproces, een meewerkende, welwillende opstelling zou (blijven) innemen. De rechtbank heeft verdachte 2 bij vonnis van heden dan ook voor dit feit veroordeeld.

Uit de overwegingen hierboven volgt ook dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte bij deze omkoping een (belangrijke) rol heeft gespeeld. Aan verdachte is echter niet tenlastegelegd dat hij zich (zelfstandig) schuldig heeft gemaakt aan strafbaar handelen, maar dat hij opdracht heeft gegeven tot of feitelijke leiding heeft gegeven aan door de rechtspersoon Electrabel gepleegde ambtelijke omkoping. Deze wijze van ten laste leggen betekent dat de rechtbank allereerst zal dienen te beoordelen of de rechtspersoon Electrabel kan worden aangemerkt als dader van dit strafbare feit. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Een rechtspersoon kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt als de strafbare gedraging redelijkerwijs aan deze rechtspersoon kan worden toegerekend. In de rechtspraak (onder meer de Hoge Raad in het arrest van 21 oktober 2003, NJ 2006, 328, het zogenoemde Drijfmestarrest) is bepaald dat het bij het kunnen toerekenen van de strafbare gedraging aan de betreffende rechtspersoon van belang is of de gedraging heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een dergelijke gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn bij een of meer van onderstaande omstandigheden:

  • het gaat om handelen of nalaten van iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
  • de rechtspersoon heeft de mogelijkheid erover te beschikken of de strafbare gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden wordt mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Bij het toepassen van voormelde criteria op het geval van Electrabel maakt de rechtbank onderscheid naar de situatie voorafgaand aan de overname van de energieleveringstak van Rendo door Electrabel op 1 oktober 2006 en de situatie na deze overname.

Voor de eerste situatie heeft het volgende te gelden. Zoals hierboven reeds overwogen, heeft verdachte na zijn gesprek met verdachte 2 op 14 februari 2006 zijn leidinggevende op de hoogte gesteld van dit gesprek en het door verdachte 2 gedane verzoek tot de betaling van 1 miljoen euro voor zijn bemiddeling bij het overnametraject. Uit het dossier, met name de verklaring van leidinggevende, blijkt dat de leiding van Electrabel naar aanleiding van voormelde e-mail van verdachte duidelijk heeft gesteld en kenbaar heeft gemaakt aan verdachte dat er in het kader van het overnametraject geen fee betaald kan worden aan verdachte 2 en dat het enkel bespreekbaar is dat verdachte 2 na de overname van Rendo door Electrabel als consultant voor Electrabel gaat werken, en dan alleen nog onder de voorwaarden dat verdachte 2 niet meer werkzaam is bij Rendo, dat het inschakelen van verdachte 2 schriftelijk wordt vastgelegd en dat verdachte 2 verplicht is een (tegen)prestatie te leveren. Hierbij is de leiding van Electrabel er vanuit gegaan - en zij mocht daar redelijkerwijs ook vanuit gaan, nu er geen signalen voor het tegendeel waren - dat verdachte als CEO hun aanwijzingen en opdrachten zou uitvoeren.

Hoewel verdachte aanvankelijk op 17 februari 2006 aan verdachte 2 per e-mail een voorstel heeft gedaan dat in lijn lag met de afspraken zoals die intern bij Electrabel over dit onderwerp waren gemaakt, heeft hij daarna bij de eerstvolgende bespreking met verdachte 2 in persoon een volstrekt tegengestelde (mondelinge) overeenkomst bereikt, die erop neer kwam dat er al gedurende het onderhandelingsproces een bedrag van 1 miljoen euro aan verdachte 2 – op dat moment nog directeur van Rendo – werd beloofd, zonder concrete tegenprestatie en met de uitdrukkelijke afspraak om hiervan niets op papier te zetten. Uit niets blijkt dat verdachte zijn leidinggevenden bij Electrabel van deze afspraken met verdachte 2 op de hoogte heeft gesteld. Deze gang van zaken kan Electrabel derhalve in redelijkheid niet worden toegerekend.

Ten aanzien van de situatie na de overname overweegt de rechtbank het volgende. Kort na de overname van Rendo door Electrabel ontving Electrabel zeven facturen van naam organisatie/verdachte ter betaling van in totaal 1 miljoen euro. Deze facturen waren allen niet voorzien van onderliggende stukken zoals offertes en urenverantwoording. Door medewerkers van Electrabel is navraag bij verdachte, hun baas, gedaan omtrent het ontbreken van voormelde stukken, maar na het antwoord van verdachte dat de facturen vertrouwelijk en geheim waren en nadere vragen niet gesteld mochten worden, zijn de bedragen vermeld op de facturen uitbetaald aan naam organisatie/verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat Electrabel met deze handelwijze van uitbetalen van facturen niet de zorgplicht als hierboven verwoord onder het laatste gedachtestreepje heeft geschonden. Daartoe verwijst de rechtbank naar de verklaring van getuige 416getuige 4 bij Electrabel, waaruit blijkt dat het incidenteel voor kwam dat er geen onderliggende stukken zoals offertes en dergelijke, achter een betaalbaarstelling zaten; er werd dan verteld dat dit concurrentiegevoelig materiaal en ‘geheim’ was. Voorts verwijst de rechtbank naar de verklaring van getuige 3 bij Electrabel, inhoudende dat het feit dat de zeven facturen aan verdachte persoonlijk zijn gericht te maken heeft met de mate van vertrouwelijkheid en dat het niet uitzonderlijk was dat verdachte facturen zoals deze betaalbaar heeft gesteld; dat was volgens getuige 3 aan de orde bij facturen die niet ter inzage bestemd waren voor een gemiddelde werknemer.

Uit voormelde verklaringen blijkt dat het binnen Electrabel niet ongebruikelijk was om facturen, ook facturen waarop hoge bedragen vermeld stonden zoals in het onderhavige geval, zonder onderliggende stukken in opdracht van de leidinggevende betaalbaar te stellen. De rechtbank is van oordeel dat in zo’n geval geen sprake is van zodanig onzorgvuldig handelen dat nader onderzoek verricht had moeten worden. Dat bepaalde facturen als ‘geheim’ betiteld worden, acht de rechtbank niet onredelijk nu niet verwacht kan worden dat binnen een bedrijf altijd alle informatie met alle werknemers wordt gedeeld.

Gezien het voorgaande kan niet de conclusie worden getrokken dat de strafbare gedragingen van verdachte voor en na de overname van Rendo door Electrabel op 1 oktober 2006 door de rechtspersoon Electrabel werden aanvaard en is de rechtbank van oordeel dat niettegenstaande de omstandigheid dat er wel voldaan is aan de andere indicaties voor het aannemen van het daderschap van de rechtspersoon de strafbare gedragingen redelijkerwijs niet kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon. Derhalve kan Electrabel naar het oordeel van de rechtbank niet als dader van de ten laste gelegde ambtelijke omkoping worden aangemerkt.

Nu Electrabel niet als dader kan worden aangemerkt, kan van feitelijk leidinggeven aan een strafbare gedraging van Electrabel evenmin sprake zijn. Dat betekent dat de rechtbank het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen acht. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat het voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het benoemen van een getuige/deskundige niet aan de orde is.

Feit 2

De rechtbank acht voorts het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom ook hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank wist verdachte dat de in de tenlastelegging genoemde facturen valselijk waren opgemaakt. Daartoe verwijst de rechtbank naar de hierboven opgenomen algemene overweging. Electrabel had echter geen wetenschap van het valselijk opgemaakt zijn van de facturen. Bovendien kan, om redenen die de rechtbank onder de beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde heeft gegeven, de wetenschap van verdachte niet aan Electrabel worden toegerekend. Door het ontbreken van de wetenschap omtrent het valselijk opgemaakt zijn van de facturen kan niet bewezen worden verklaard dat Electrabel deze facturen opzettelijk als echt en onvervalst heeft gebruikt, voorhanden heeft gehad dan wel dat Electrabel opzettelijk de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt en/of heeft laten opmaken.

Feit 3

De rechtbank past ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een brief van verdachte 1 gericht aan verdachte 2 d.d. 31 januari 2012, als bijlage D-059 gevoegd in het dossier met nummer 49930, opgemaakt door de Belastingdienst/FIOD en gesloten op 2 juli 2013, waarin is opgenomen:

“ik kan u bevestigen, dat de betaling van bovenbedoelde diensten van naam organisatie/verdachte bv aan Electrabel Nederland geen verband hielden met de eerdere verkoop van RENDO Energielevering BV aan Electrabel Nederland.”

2. De rechtbank verwijst naar de hierboven opgenomen algemene overweging, waarin is opgenomen dat de betaling door Electrabel aan naam organisatie/verdachte van in totaal 1 miljoen euro verband hield met de overname van de energieleveringstak van Rendo door Electrabel.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van de Belastingdienst/FIOD d.d. 13 mei 2013, opgenomen op pagina 886 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte 1

Ik heb brief D-059 opgesteld en verstuurd naar verdachte 2. Ik deed dat op verzoek van verdachte 2 omdat hij naar zijn zeggen discussies had met de fiscus over de facturen die naam organisatie/verdachte bij Electrabel had ingediend. De fiscus vermoedde kennelijk dat die facturen te maken hadden met de overname van Rendo door Electrabel. Ik heb een verklaring voor hem opgesteld. Daarvoor had hij een concept opgesteld. Ik heb mijn eigen verklaring opgesteld.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat brief D-059 valselijk is opgemaakt, omdat de in de tenlastelegging genoemde betaling juist wel verband hield met de eerdere verkoop van Rendo Energielevering BV aan Electrabel Nederland.

Dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met verdachte 2 heeft gepleegd, leidt de rechtbank af uit het feit dat verdachte 2 verdachte verzocht heeft de onderhavige brief te schrijven en daartoe verdachte voorzag van een concept en verdachte het verzoek van verdachte 2 heeft uitgevoerd.

Bewezenverklaring 

 

Strafoplegging

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF