Veroordeling ambtenaar gemeente Den Haag wegens ambtelijke omkoping

Rechtbank Den Haag 16 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:4705

Verdachte is in de privésfeer verplichtingen aangegaan die, naar hij stelt, zijn financiële draagkracht te boven gingen. Om die problemen op te lossen heeft hij als ambtenaar van de gemeente Den Haag diverse giften en diensten aangenomen van betrokkene 1, van de firma bedrijf V.O.F. van betrokkene, een bedrijf in groenvoorzieningen dat regelmatig opdrachten uitvoerde voor de gemeente die mede door verdachte werden gegund.

Ook heeft verdachte valsheid in geschrifte gepleegd door een valse brief op te stellen op briefpapier van de gemeente Den Haag en deze aan diezelfde betrokkene 1 van de firma bedrijf V.O.F. van betrokkene ter hand te stellen, zodat deze de betreffende brief aan zijn accountant kon overhandigen. Met deze brief werd het privékarakter verhuld van verschillende facturen ten behoeve van anderen dan de gemeente Den Haag, onder wie ook verdachte.

Naast deze feiten heeft verdachte opdrachten verstrekt aan het Schildersbedrijf medeverdachte 2 dat materieel werd bestuurd door medeverdachte 1 die direct betrokken was bij het verstrekken van forse contante geldbedragen/geldleningen aan verdachte. Daarnaast heeft hij dit schildersbedrijf voorzien van concurrentiegevoelige informatie en zich op ontoelaatbare wijze bemoeid met het opstellen van facturen.

Aanleiding

Op 10 maart 2009 is de politie Rotterdam een groot onderzoek naar internationale drugshandel gestart onder de zaaksnaam. In dit kader zijn in 2009 en 2010 de telefoons van de hoofdverdachten getapt, waaruit de verdenking ontstond dat verdachte zich als ambtenaar van de gemeente Den Haag schuldig maakte aan ambtelijke corruptie en witwassen. De Rijksrecherche is hierop een onderzoek naar verdachte gestart onder de naam ‘Goudhaantje’. Op 15 april 2011 hebben doorzoekingen plaatsgevonden onder andere in verdachtes woning en op diens werkplek. In verdachtes privéadministratie werden facturen van een bedrijf V.O.F. van betrokkene aangetroffen. Een deel van de goederen waarop die facturen betrekking hadden, werd bij verdachte thuis aangetroffen. Verder bleek dat verdachte als ambtenaar zaken deed met bedrijf V.O.F. van betrokkene én dat hij daarnaast privécontact onderhield met de feitelijk eigenaar van dat bedrijf, genaamd betrokkene 1. Op grond hiervan ontstond een nieuwe verdenking van ambtelijke corruptie, namelijk de omkoping door bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1 van verdachte, en is de Rijksrecherche in 2012 een nieuw onderzoek gestart onder de naam ‘Toowoomba’. In de periode maart 2012 tot september 2012 heeft dit onderzoek in verband met prioritering door het openbaar ministerie stilgelegen.

Verdenking

Dagvaarding I

  • Feit 1, de valsheid in geschrifte en het gebruik maken/voorhanden hebben van valse geschriften: Dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte door samen met anderen de facturen en de brief valselijk op te maken, samen met anderen van de valse brief en valse facturen gebruik te maken en valse facturen voorhanden te hebben gehad.
  • Feit 2, de omkoping door bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1: Dat verdachte alle onder a) tot en met h) ten laste gelegde giften of diensten, met uitzondering van de compressor en het tuinmeubilair, van betrokkene 1 / bedrijf V.O.F. van betrokkene heeft ontvangen en dat hij de onder i), ii), iii), v) en vii) ten laste gelegde handelingen – anders dan om zakelijke redenen – heeft gepleegd alsook dat verdachte in strijd met zijn ambtsplicht heeft gehandeld.

Dagvaarding II

  • Feit 1, gewoontewitwassen: Dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen bij wijze van gewoonte tot een totaalbedrag van €46.000.
  • Feit 2, de omkoping door medeverdachte 2 / medeverdachte 1: Dat verdachte een bedrag van €19.000 als gift heeft ontvangen van medeverdachte 1 / bedrijf (betrokkene) en dat hij zonder enige vergoeding gebruik heeft gemaakt van de boot van medeverdachte 1, en dat verdachte de onder i) t/m v) en vii) ten laste gelegde handelingen – anders dan om zakelijke redenen – heeft gepleegd alsook dat hij in strijd met zijn ambtsplicht heeft gehandeld.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

  • Redelijke termijn: Hiertoe is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg bijna vier jaar op zich heeft laten wachten. De onzekerheid heeft zwaar op het gezin gedrukt, temeer nu er beslag is gelegd op vele zaken. Bovendien wordt verdachte door deze lange duur beperkt in zijn mogelijkheden om een adequate verdediging te voeren. Het is op dit moment immers onmogelijk om nog te achterhalen, laat staat te onderbouwen met bijvoorbeeld bankafschriften, wat de herkomst is geweest van de verschillende contante bedragen waarop de beschuldiging van witwassen ziet. Dit geldt vooral ook nu de feiten waarop de beschuldigingen betrekking hebben zich vier tot acht jaar geleden hebben afgespeeld. Ook weegt mee dat de verdediging is bemoeilijkt door de beslissing van het openbaar ministerie om eerst verdachte te berechten en daarna pas een beslissing te nemen over de vervolging van de beide medeverdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2 Omdat medeverdachte 1 en medeverdachte 2 nog steeds verdachten zijn en zij zich daarom hebben beroepen op hun zwijgrecht, hebben ze – impliciet – dan ook geen ontlastende verklaring voor verdachte kunnen afleggen. De waarheidsvinding is zo door toedoen van het openbaar ministerie niet meer mogelijk en om deze redenen is vervolging van verdachte in strijd met artikel 6 van het EVRM.
  • Gelijkheidsbeginsel: Tevens is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte nu niet is overgegaan tot vervolging van de anderen die onder dezelfde voorwaarden geld hebben geleend van bedrijf (betrokkene), waardoor het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
  • Toepassing Awr: Ten slotte is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de gestelde valsheid in geschrifte gelet op het bepaalde in artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Hierbij moet niet de tenlastelegging als uitgangspunt worden genomen (artikel 225, eerste lid, Sr), maar de gedragingen zoals ze zich feitelijk zouden hebben voorgedaan. Hierbij moet in acht worden genomen dat degene die de documenten opmaakt, deze tevens voorhanden heeft, zodat het wel degelijk gaat om feiten die vallen onder artikel 225, tweede lid, Sr en daarmee onder de specialis van 69, vierde lid, AWR.

Het standpunt van de officier van justitie

  • De officier van Justitie heeft aangevoerd dat de redelijke termijn eerst is gaan lopen bij de aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte in augustus 2011. Hoewel berechting in eerste aanleg aanzienlijk langer heeft geduurd dan twee jaar, dient dit niet te leiden tot niet-ontvankelijk verklaring. Daarbij speelt mee dat verdachten er zelf voor hebben gekozen zich te beroepen op hun zwijgrecht en eerst vlak voor deze zitting een verklaring af te leggen. Wel zal het openbaar ministerie met het tijdsverloop rekening houden in de strafeis.
  • Daarnaast is nog geen vervolgingsbeslissing genomen in de zaken tegen medeverdachte 1 en medeverdachte 2, omdat hun situatie volledig anders is dan die van verdachten. Zij zijn in de zaaksnaam veroordeeld tot lange gevangenisstraffen en de vervolging voor de verdenking van witwassen wordt mede om die reden eerst genomen na afloop van deze zaak.
  • Dat zij hebben besloten zich te beroepen op hun zwijgrecht is een omstandigheid die niet aan het openbaar ministerie kan worden toegerekend.
  • Ten aanzien van de andere personen die eveneens geldbedragen hebben geleend van bedrijf (betrokkene) wordt betoogd dat hun situatie verschilt van die van verdachte, juist ook vanwege de overige verdenkingen. Een definitieve vervolgingsbeslissing zal ook in deze zaken pas worden genomen na afloop van deze zaak.
  • Ten aanzien van het beroep op artikel 69, vierde lid, van de AWR heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet wordt vervolgd op basis van artikel 225, tweede lid, Sr, maar op basis van artikel 225, eerste lid, Sr en dat het beroep om die reden niet slaagt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat ingevolge vaste jurisprudentie de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht, waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is die termijn aangevangen op het moment dat bij verdachte een huiszoeking is verricht op 15 april 2011, waarbij hij – voor hem kenbaar uit de hem overgelegde kennisgeving van inbeslagneming, waarop hij als verdachte wordt genoemd – als verdachte is aangemerkt.

Het relevante tijdsverloop in onderhavige zaak is dan ook precies 4 jaar. Hoewel het een complexe zaak is, die onderdeel uitmaakt van een groter geheel, kan dit het tijdsverloop niet volledig rechtvaardigen. Er is dan ook sprake van schending van de redelijke termijn. Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) is de rechtbank van oordeel dat deze overschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet onder de door de verdediging genoemde omstandigheden. Dat door het lange tijdsverloop geen adequate verdediging mogelijk was, is niet aannemelijk. Immers, aan verdachte zijn vanaf het eerste verhoor en telkens daarna uitvoerig tal van vragen voorgehouden waarop een antwoord van verdachte werd verwacht. Hij had vanaf dat moment dan ook al een aanvang kunnen maken met de voorbereiding van de verdediging.

Het ondervragingsrecht is evenmin geschonden. De omstandigheid dat de medeverdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2 zich op hun zwijgrecht hebben beroepen is een omstandigheid die niet kan worden toegerekend aan het openbaar ministerie. Daar komt bij dat het openbaar ministerie de opportuniteit van vervolging op ieder moment mag beoordelen en de officier van justitie heeft aangegeven ten aanzien van medeverdachte 1 en medeverdachte 2 nog geen beslissing te hebben willen nemen, maar eerst de uitkomst van deze zaak te willen afwachten, mede omdat hen al hoge gevangenisstraffen zijn opgelegd. De rechter dient een dergelijke vervolgingsbeslissing slechts marginaal te toetsen. Gezien de gegeven motivering acht de rechtbank dit niet een onbegrijpelijke beslissing.

Dat laatste geldt eveneens voor de vervolgingsbeslissing ten aanzien van de andere personen die geldbedragen hebben geleend van bedrijf (betrokkene), zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds om die reden niet slaagt.

Het beroep op het bepaalde in artikel 69, vierde lid, van de AWR slaagt evenmin. De rechtbank overweegt dat deze bepaling ziet op de vervolging van degene die wordt verdacht van het doen van valse belastingaangifte. De vraag in hoeverre vervolging gebaseerd op artikel 225, eerste lid, Sr is ingegeven om de vervolgingsaanwijzing in artikel 69, vierde lid, van de AWR te omzeilen, speelt enkel in gevallen waarin de belastingplichtige wordt vervolgd voor het opmaken van een valse aangifte, die hij tevens voorhanden heeft. Nu verdachte wordt beschuldigd van het (in vereniging) opmaken van valse facturen en een brief die niet voor zijn eigen administratie en belastingaangifte zijn bestemd zijn de bepalingen uit de AWR hier niet van toepassing.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de volgende feiten wettig en overtuigend zijn bewezen

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zoals verwoord in zijn schriftelijke pleidooien, integrale vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd:

Dagvaarding I

Feit 1, de valsheid in geschrifte en het gebruik maken/voorhanden hebben van valse geschriften

Indien al gesproken kan worden van valse geschriften, zijn deze niet gebruikt om een derde te misleiden, nu de facturen hooguit zijn opgenomen in de eigen administratie van bedrijf V.O.F. van betrokkene en aan een boekhouder zijn verstrekt, maar niet aan een derde. Een boekhouder is immers niet als een derde in de zin van artikel 225 Sr aan te merken. Daar komt bij dat verdachte die zich niet bewust was waarvoor de documenten waren bedoeld geen opzet heeft gehad om als medepleger de documenten te gebruiken.

Feit 2, de omkoping door bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1

Indien al gesproken kan worden van giften of diensten, waren deze niet bedoeld om verdachte iets te laten doen of nalaten. Voor zover dit wel de bedoeling is geweest van bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1, dan heeft verdachte dit niet redelijkerwijs vermoed. bedrijf V.O.F. van betrokkene werkte immers al vóór de indiensttreding van verdachte voor de gemeente Den Haag en was ook met betrekking tot de opdrachtverlening niet van verdachte afhankelijk. Verdachte gaat er dan ook van uit dat betrokkene 1 hem hielp vanuit de goedheid van zijn hart.

Dagvaarding II

Feit 1, gewoontewitwassen

Niet is bewezen dat het geld afkomstig van bedrijf (betrokkene) crimineel geld is. Voor zover daarvan al zou moeten worden uitgegaan waren verdachte en zijn medeverdachte 3 hiervan niet op de hoogte. Ook kan niet worden geoordeeld dat zij dit redelijkerwijs hebben vermoed. Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachte voordeel hebben genoten uit ambtelijke corruptie. Daarom kunnen de tenlastegelegde handelingen niet in verband worden gebracht met enig misdrijf en zijn deze, als al bewijsbaar, niet strafbaar.

Feit 2, de omkoping door medeverdachte 2 / medeverdachte 1

Indien al gesproken kan worden van giften of diensten, waren deze niet bedoeld om verdachte iets te laten doen of nalaten. Verdachte en medeverdachte 1 waren namelijk vrienden en de zakelijke contacten tussen (Schildersbedrijf) medeverdachte 2 enerzijds en verdachte en de gemeente Den Haag anderzijds hadden niets te maken met enige gedane of verleende gift of dienst.

Beoordeling rechtbank

Dagvaarding I, ten aanzien van feit 2, de omkoping

Het bedrijf V.O.F. van betrokkene en betrokkene 1

De rechtbank overweegt dat betrokkene 1 gezien de gekozen vennootschappelijke structuur van bedrijf V.O.F. van betrokkene.F. voor de beoordeling van deze zaak met bedrijf V.O.F. van betrokkene kan worden vereenzelvigd.

Verdachte handelend als ambtenaar van de gemeente Den Haag

verdachte is op 1 mei 2007 in tijdelijke dienst aangesteld als ambtenaar van de gemeente Den Haag in de functie van technische medewerker bij het bedrijfsonderdeel. Sinds 1 mei 2008 is hij in vaste dienst getreden bij de gemeente Den Haag in dezelfde functie. Hij hield zich onder andere bezig met het voorbereiden van bestekken voor de aanbesteding van onderhoudswerkzaamheden en het leveren van materialen, met het aanvragen en beoordelen van offertes voor onderhoudswerkzaamheden en met het adviseren van het hoofd van het bedrijfsonderdeel hierover. Hoofdzakelijk was verdachte werkzaam voor de gemalen. Hij was ook belast met het opmaken van werkbeschrijvingen en het aanvragen van offertes bij de externe bedrijven die hij daarvoor geschikt achtte.

Gedurende de periode van 15 april 2011 tot en met 5 augustus 2011 en vanaf 5 juli 2012 is verdachte door de Gemeente Den Haag geschorst geweest vanwege dit strafrechtelijk onderzoek. Per 25 oktober 2012 is verdachte uit dienst getreden bij de Gemeente Den Haag.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode, met uitzondering van de periodes van 15 april 2011 tot en met 5 augustus 2011 en van 5 juli 2012 tot 25 oktober 2012, werkzaam was als ambtenaar bij de Gemeente Den Haag.

Giften, beloften en diensten aangenomen of gevraagd

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat bedrijf V.O.F. van betrokkene in de ten laste gelegde periode een stoomcabine, badkamergoederen, een barkist “Nairobi”, keukenmeubelen, LED-verlichting, tuinmaterialen, een kachel en een domoticaset (bestaande uit een beeldscherm en schakelaars ter waarde van maximaal €600), alles voor de inrichting van zijn eigen nieuwgebouwde woning, voor hem heeft betaald. In de administratie van bedrijf V.O.F. van betrokkene zijn de facturen van deze goederen aangetroffen en uit de bankafschriften van bedrijf V.O.F. van betrokkene is ook gebleken dat bedrijf V.O.F. van betrokkene deze goederen inderdaad heeft betaald.

Verdachte en zijn vrouw, medeverdachte 3, hebben verklaard dat voornoemde betalingen niet als gift doch als een lening van betrokkene 1 kunnen worden aangemerkt. verdachte en medeverdachte 3 ondervonden tijdens de bouw van hun nieuwe huis in 2008 financiële problemen en betrokkene 1 bood aan om te helpen door de openstaande rekeningen en verdere rekeningen voor andere goederen ten behoeve van de inrichting van het huis voor te schieten. Verdachte en medeverdachte 3 zouden dit later terugbetalen.

Verdachte heeft verklaard dat de afspraak was dat verdachte een deel van deze facturen voor reeds bestelde goederen op naam van bedrijf V.O.F. van betrokkene zou laten overzetten. Nadien heeft verdachte ook andere bestelling voor de woninginrichting gedaan, waarvan de facturen op naam van bedrijf V.O.F. van betrokkene kwamen te staan. De afspraak bevatte geen totaalbedrag dat op deze wijze geleend zou mogen worden. Evenmin is een rentepercentage afgesproken of enige afspraak gemaakt over (het tijdstip van) de afbetaling. Verdachte hield niet bij wat het totaalbedrag was dat hij leende.

Uit het onderzoek is gebleken dat bedrijf V.O.F. van betrokkene, uitgaande van wat verdachte heeft erkend te hebben ontvangen, ongeveer €39.500 voor hem heeft betaald.

Hoewel zowel verdachte als betrokkene 1 hebben aangegeven dat het enkel om het voorschieten van de bedragen ging, merkt de rechtbank deze betalingen aan als giften. Immers, het is onaannemelijk dat, indien het daadwerkelijk de bedoeling was dat zou worden terugbetaald, hierover geen enkele afspraak zou zijn gemaakt. Bovendien heeft verdachte aangegeven niet te hebben bijgehouden om hoeveel geld het ging. Daar komt bij dat met het opstellen van de hierna verder te bespreken brief van 29 januari 2010 en het daarmee beoogde doel, te weten het definitief opnemen van een aantal van die betalingen in de administratie van bedrijf V.O.F. van betrokkene, als zakelijke kosten, eerder wijst op de bedoeling om de door bedrijf V.O.F. van betrokkene betaalde bedragen weg te boeken, dan op het voornemen om deze terug te (laten) betalen.

Ook overigens overweegt de rechtbank dat zelfs indien van een lening sprake zou zijn, het uitlenen van geld, zeker zonder enige verplichtende voorwaarde en zonder enige renteverplichting, in ieder geval kan worden aangemerkt als het verlenen van een dienst.

Scooter

Uit de stukken in het dossier leidt de rechtbank af dat deze scooter, ter waarde van €1.749, door bedrijf V.O.F. van betrokkene in juli 2008 bij bedrijf 7 is besteld en betaald. Uit de gegevens van de RDW blijkt dat verdachte op 8 augustus 2008 eigenaar is geworden van deze scooter.

Verdachte heeft verklaard dat hij de scooter van betrokkene 1 / bedrijf V.O.F. van betrokkene heeft gekregen in ruil voor twee buitenboordmotoren en dat hij daarnaast ter compensatie betrokkene 1 ook nog mee uit eten heeft genomen. Uit een e-mailbericht van betrokkene 1 aan verdachte blijkt daarover nog dat betrokkene 1 aan verdachte heeft voorgesteld om nog een etentje op kosten van verdachte te doen: “doe maar een etentje dan staan we quitte”.

Hoewel in dit e-mailbericht slechts melding wordt gemaakt van een etentje als compensatie en niet van de beweerdelijk al geruime tijd eerder door verdachte weggegeven buitenboordmotoren door verdachte aan betrokkene 1, kan de rechtbank niet uitsluiten dat beide partijen dit specifieke geval hebben ervaren als een ruil van goederen van ongeveer gelijke waarde. Derhalve kan niet geconcludeerd worden dat de scooter een gift aan verdachte was, maar wel dat hier sprake was van een dienstverlening aan verdachte, omdat bedrijf V.O.F. van betrokkene als tussenpersoon fungeerde bij de aankoop van de scooter, betrokkene 1 deze heeft besteld, en de rekening van de scooter op naam van bedrijf V.O.F. van betrokkene is gezet en door bedrijf V.O.F. van betrokkene is betaald. Juist omdat levering van een scooter in het geheel niet behoorde tot de normale bedrijfsactiviteiten van bedrijf V.O.F. van betrokkene beschouwt de rechtbank dit als een aan verdachte verleende dienst.

Maairobot en tuinmaterialen

Met betrekking tot de maairobot overweegt de rechtbank dat verdachte heeft verklaard dat bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1 een maairobot voor de moeder van betrokkene 1 had gekocht en ook één voor zichzelf. Nadat verdachte op verzoek van betrokkene 1 veel tijd had besteed aan het aan de gang krijgen van de maairobot van de moeder van betrokkene 1 heeft betrokkene 1 hem zijn maairobot gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank strookt deze verklaring niet met het gegeven dat de naam van verdachte reeds op de aangetroffen aankoopfactuur stond vermeld. Bovendien doet dit niet af aan het feit dat hij een maairobot van aanzienlijke waarde van betrokkene 1 heeft gekregen.

Voorts is gebleken dat bedrijf V.O.F. van betrokkene ook tuinmaterialen heeft betaald die door bedrijf 1 bij de woning van verdachte zijn afgeleverd.

Derhalve is bewezen dat betrokkene 1 een maairobot en tuinmaterialen als gift aan verdachte heeft gegeven. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de gift tuinmeubilair. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte tuinmeubilair van bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1 heeft gekregen.

De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van de gift “compressor”. In het dossier ontbreekt overtuigend bewijs dat deze aan verdachte is geleverd.

Verdachte wist of vermoedde redelijkerwijs dat de giften werden gedaan, teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten

betrokkene 1 heeft verklaard dat hij de giften deed opdat hij zijn werk voor de gemeente wilde houden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat betrokkene 1 de giften heeft gedaan om werk gegund te krijgen door de gemeente Den Haag aan bedrijf V.O.F. van betrokkene.

Aan het bestanddeel “wetende dat” is voldaan indien het doel van de giften verdachte duidelijk was. Hieronder is ook het voorwaardelijk opzet begrepen. Volgens vaste jurisprudentie is het niet in alle gevallen nodig vast te stellen welke concrete gedraging van de ambtenaar werd gevraagd in ruil voor de gift of dienst. Ook het aannemen van giften teneinde een relatie te doen ontstaan om aldus een voorkeursbehandeling te krijgen voor de verstrekker van de dienst of gift, valt onder de strafbepaling.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet wist waarom betrokkene 1 rekeningen voor hem wilde betalen, maar dat betrokkene 1 vermoedelijk ‘zijn hart op de goede plek had zitten’. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de omstandigheid dat feitelijk sprake was van een blanco cheque van bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1 – een zakelijke relatie die hij relatief kort kende, die bovendien veel van zijn opdrachten van verdachte kreeg – het niet anders kan zijn dan dat verdachte telkens – minste genomen – redelijkerwijs vermoedde dat er nog een andere reden aan de betalingen van betrokkene 1 ten grondslag lag dan zuiver en onbegrensd altruïsme. Een dergelijke mate van naïviteit acht de rechtbank niet aannemelijk van iemand met verdachtes opleiding en ervaring.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte giften en diensten heeft aangenomen van betrokkene 1 / bedrijf V.O.F. van betrokkene terwijl hij redelijkerwijs vermoedde dat dit was om hem te bewegen om namens de gemeente Den Haag aan betrokkene 1 / bedrijf V.O.F. van betrokkene werk te blijven toebedelen en zo betrokkene 1 / bedrijf V.O.F. van betrokkene te begunstigen, waarbij verdachte zijn mogelijkheden en bevoegdheden zou aanwenden om bedrijf V.O.F. van betrokkene zulke opdrachten te laten (blijven) krijgen van de gemeente Den Haag.

Verdachte was – gelet op zijn functie bij de gemeente Den Haag – ook in staat om dit alles te bewerkstelligen voor bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1. Hoewel verdachte zelf geen tekeningsbevoegdheid had voor het geven van opdrachten namens de gemeente Den Haag, had hij feitelijk een zeer grote rol bij het verstrekken van orders. Zoals reeds eerder overwogen, was verdachte belast met het aanvragen van offertes bij externe bedrijven die hij geschikt achtte voor de betreffende werkzaamheden. Zijn macht werd nog versterkt door het gegeven dat regelmatig werkzaamheden werden uitgevoerd voordat een offerte was ingediend. In dergelijke gevallen werd immers de uiteindelijke uitbestedingsbeslissing wel degelijk door hem genomen. Hoewel bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1 ook opdrachten kreeg van collega’s van verdachte, neemt dit niet weg dat hij vele opdrachten van verdachte heeft gekregen, waarvan bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1 telkens kon vrezen dat deze een ander gegund zouden worden als hij niet zijn relatie met verdachte onderhield onder meer door hem de betreffende giften/diensten te verlenen.

Het handelen al dan niet in strijd met zijn plicht

Voor het bestanddeel “in strijd met zijn plicht” uit artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht, is het voldoende indien de giften aan een ambtenaar zijn gedaan met het doel een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan of te onderhouden teneinde een voorkeursbehandeling te krijgen en de ambtenaar dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat verdachte heeft gehandeld in strijd met zijn plicht als ambtenaar. In dit verband wijst de rechtbank tevens op de handelwijze van verdachte met betrekking tot de brief van 29 januari 2010, waarin verdachte op verzoek van betrokkene 1 op briefpapier van de gemeente Den Haag heeft aangegeven dat een hoeveelheid goederen en diensten waren geleverd aan de gemeente. Dit kennelijk met het doel om het privé-karakter van die uitgaven te verhullen, zodat deze uitgaven ten laste van de winst van bedrijf V.O.F. van betrokkene konden worden geboekt. Deze handelwijze is evident in strijd met de plicht van verdachte.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet aantonen dat verdachte anders dan om zakelijke redenen betrokkene 1 heeft geholpen met het opstellen van offertes zodat verdachte van het onder v) ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde, zoals hieronder weergegeven, wettig en overtuigend bewezen.

Dagvaarding I, ten aanzien van feit 1: Medeplegen van valselijk opmaken en gebruik maken/voorhanden hebben van geschriften

Betrokkene 1 heeft verklaard dat hij met verdachte de afspraak heeft gemaakt dat hij de aankopen voor het nieuwe huis van verdachte wilde betalen danwel voorschieten onder de voorwaarde dat de facturen op naam van bedrijf V.O.F. van betrokkene werden gesteld. Op deze manier kon betrokkene 1 de facturen zakelijk afboeken zodat bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1 financieel voordeel zou genieten, onder meer door de teruggaaf van de btw.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat die afspraak inderdaad is gemaakt en dat alle ten laste gelegde geschriften vals zijn.

In de tenlastelegging zijn onder A, B en C geschriften genoemd die op onderdelen nog afzonderlijk worden besproken. Deze geschriften zijn aangetroffen in de administratie van bedrijf V.O.F. van betrokkene.

A. Twee facturen van bedrijf 2 en gericht aan bedrijf V.O.F. van betrokkene., adres: adres, waaruit blijkt dat het hier ging om een aankoop ter waarde van €20.103. Uit de vermelding “aan u geleverde materialen”, blijkt niet dat het ging om een stoomcabine en diverse badkamergoederen die door verdachte zijn besteld, ook bij hem zijn afgeleverd en die op zijn verzoek op naam van bedrijf V.O.F. van betrokkene zijn gezet.

B. Twee facturen afkomstig van Asto Keukens en gericht aan bedrijf V.O.F. van betrokkene, adres. Beide facturen tezamen leveren een bestelling ter waarde van €3000 op, voor ledverlichting en keukenmeubelen, hetgeen uit de omschrijvingen “Aanbetaling diverse geleverde materialen 40% bij opdracht”, en “diverse geleverde materialen”, niet valt op te maken.

Blijkens de verklaring van getuige Dekker was het verdachte die heeft gevraagd om de factuur op naam van bedrijf V.O.F. van betrokkene te zetten en de goederen op de factuur te vermelden als “o.v.v. diverse geleverde materialen”.

De rechtbank concludeert dat de bekennende verklaring van verdachte over de valsheid in geschrifte door deze stukken wordt onderbouwd, waar de producten op de facturen bewust niet nader gespecificeerd zijn maar algemeen omschreven als ‘aan u geleverde materialen’/‘diverse geleverde materialen’, kennelijk met het doel het karakter van de betreffende transacties te verhullen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met betrokkene 1 deze facturen valselijk heeft laten opmaken door bedrijf 2.

Hiermee is tevens wettig en overtuigen bewezen dat verdachte het gebruikmaken van deze valse facturen heeft medegepleegd. Het is immers op grond van de uitdrukkelijke afspraak met betrokkene 1 zo gegaan dat betrokkene 1 verdachte wel wilde helpen, als dit “zakelijk” kon, ofwel als dit zodanig administratief kon worden geregeld dat betrokkene 1 die kosten zou kunnen declareren via zijn bedrijf V.O.F. van betrokkene. Verdachte heeft met die regeling ingestemd en heeft zelf de leveranciers verzocht de vermelding op de facturen aan te passen en heeft dit proces met de brief van 29 januari 2010 verhuld. Hij is hiermee medeverantwoordelijk te houden voor deze declaraties.

C. De brief, gedateerd 29 januari 2010, afkomstig van verdachte, in zijn hoedanigheid van technisch medewerker van de Dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag en gericht aan bedrijf V.O.F. van betrokkene. Deze brief is hierboven in het kader van het handelen in strijd van verdachtes plicht als ambtenaar al aan de orde gesteld.

In de brief wordt gesteld dat bedrijf V.O.F. van betrokkene met betrekking tot een negental in de brief genoemde facturen, goederen heeft geleverd en diensten heeft verricht op diverse locaties in Den Haag. De brief is geprint op briefpapier van de gemeente Den Haag en door verdachte voorzien van zijn handtekening.

Verdachte heeft verklaard dat deze brief vals is, aangezien de in die brief genoemde posten, met uitzondering van de factuur afkomstig van bedrijf 3., geen betrekking hebben op door bedrijf V.O.F. van betrokkene aan de gemeente Den Haag geleverde goederen of diensten, terwijl dit wel zo staat vermeld in de brief.

Verdachte heeft betoogd dat hij zich niet bewust was van het doel van de brief. De rechtbank acht dit evenwel volstrekt onaannemelijk. Verdachte werd door betrokkene 1 gevraagd om op briefpapier van de gemeente iets te verklaren in zijn hoedanigheid als gemeenteambtenaar, waarvan hij wist dat het onjuist was, hetgeen betrokkene 1 heeft toegegeven. Dit teneinde te voldoen aan een afspraak die hij eerder had gemaakt met betrokkene 1 om mee te werken aan het zakelijk kunnen afboeken van de facturen. Hij kan, gelet hierop, niet hebben gedacht dat het doel van de brief legitiem was.

Door het opstellen van de brief en deze aan betrokkene 1 te verstrekken heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het gebruik van valse documenten. Het verweer dat geen gebruik is gemaakt van de valse facturen en de brief omdat betrokkene 1 het niet aan een derde heeft verstrekt, slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft betrokkene 1 met het verstrekken van de valse facturen aan zijn accountant onder begeleiding van de valse brief deze documenten wel degelijk aan een derde verstrekt, zoals bedoeld in artikel 225 Sr en zijn ze niet slechts opgenomen in zijn eigen administratie.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Dagvaarding II, ten aanzien van feit 2: omkoping door medeverdachte 1 / medeverdachte 2

Verdachte handelend als ambtenaar van de gemeente Den Haag

Verdachte was – zoals hiervoor onder 5.3.1.2 overwogen – in de ten laste gelegde periode, met uitzondering van de periodes van 15 april 2011 tot en met 5 augustus 2011 en van 5 juli 2012 tot 25 oktober 2012, werkzaam als ambtenaar bij de Gemeente Den Haag.

Giften, beloften en diensten aangenomen of gevraagd

Verdachte en zijn vrouw medeverdachte 3 hebben verklaard dat zij medio april 2009 via medeverdachte 1 (verder medeverdachte 1 ) een geldlening hebben afgesloten met bedrijf (betrokkene) te Dubai (verder bedrijf (betrokkene) ). De reden was dat zij in financiële problemen waren gekomen.

Deze geldlening betrof een bedrag van €27.000, welk bedrag zij met een extra lening eind 2009 nog hebben opgehoogd met €19.000, zodat de lening in totaal een bedrag van €46.000 beliep. Hiervoor hebben zij twee overeenkomsten van lening ondertekend, die bij hen thuis zijn aangetroffen. Zij hebben hiervan een bedrag van €37.000 in delen contant ontvangen en een bedrag van €9.000 via bancaire overschrijving.

In de overeenkomsten wordt gesproken van een maandelijke aflossing, in casu van €135 resp. €230 per maand. De rechtbank constateert evenwel dat het bedrag dat in de overeenkomst de maandelijkse aflossing wordt genoemd feitelijk de maandelijkse rente van 6 procent op jaarbasis moet zijn. Er wordt aldus niet afgelost, maar alleen rente betaald.

Er zijn een aantal overboekingen van verdachtes bankrekening naar bedrijf (betrokkene) aangetroffen.

In de periode van juli 2009 tot en met december 2009 is viermaal een bedrag van €135 aan bedrijf (betrokkene) overgemaakt, die kunnen overeenkomen met de in overeenkomst genoemde maandelijkse aflossing. Op 2 december 2009 wordt een bedrag van €405 overgemaakt, wat een aflossing van drie termijnen kan zijn.

Op 23 juli 2009 wordt ook een bedrag van €230 aan bedrijf (betrokkene) overgemaakt, hetgeen overeen kan komen met de in de overeenkomst bepaalde maandelijkse aflossing. Verder worden in de periode van maart 2010 tot en met 2 januari 2011 nog driemaal een bedrag van €460 overgemaakt, wat elk een aflossing van twee termijnen kan zijn.

De rechtbank acht het, gelet op deze betalingen vanaf de bankrekening van verdachte aannemelijk geworden dat de tweede overeenkomst van geldlening een ophoging is van de eerste, zoals verdachte heeft verklaard, en dat daarmee is onderbouwd dat in totaal een bedrag van €46.000 door verdachte en medeverdachte 3 is ontvangen/geleend. Verder bevindt zich in het dossier een brief van bedrijf (betrokkene) van 6 januari 2011 waaruit blijkt dat een bedrag van €5.000 is gestort en dat de restschuld nog €41.000 bedraagt, hetgeen correspondeert met de nadien maandelijks overgemaakte betalingen van €205 (= 6% van 41.000 per maand).

Over deze overeenkomsten is verder het volgende gebleken.

Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte 1 hem reeds bij het tekenen van de leningsovereenkomst had aangegeven dat hij zich niet druk moest maken over de bepaling dat binnen een jaar moest worden terugbetaald. Ook is uit zijn verklaring gebleken dat een deel van het aanvankelijk geleende bedrag van €27.000 al in contanten aan hem is uitgekeerd vóórdat de overeenkomst was getekend. Hij heeft geen kwitantie getekend voor ontvangst van het geld en ook heeft hij verklaard dat hij er na de ophoging niet over heeft nagedacht om de oude overeenkomst van geldlening te laten vervallen. Alles rondom de geldlening zou gebeurd zijn op basis van vertrouwen. Verdachte wist evenwel niet precies wat de betrokkenheid van medeverdachte 1 was bij bedrijf (betrokkene), maar vermoedde wel dat er nog een ander bij betrokken was, omdat medeverdachte 1 telkens met een ander moest overleggen. Verder heeft verdachte verklaard dat de lening niet is afgelost en dat hij nooit meer iets van medeverdachte 1 dan wel bedrijf (betrokkene) heeft vernomen over deze geldlening.

Uit onderzoek is gebleken dat medeverdachte 1 eigenaar is van bedrijf (betrokkene) te Dubai, een bedrijf dat zich bezighoudt met ‘financial investments, investing in real estate, trading’.

Gelet op de aangetroffen stukken, de verklaringen en de min of meer maandelijkse betalingen van verdachte aan bedrijf (betrokkene), gaat de rechtbank uit van het bestaan van een geldlening van bedrijf (betrokkene) aan verdachte, hoe ongebruikelijk de daarbij behorende voorwaarden en de feitelijke verstrekking van de gelden ook waren. Kennelijk werd er van de kant van bedrijf (betrokkene) nauwelijks nakoming van de voorwaarden verwacht. Lenen tegen dergelijke coulante voorwaarden moet worden beschouwd als een dienst, en de rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat medeverdachte 1 verdachte een forse dienst heeft bewezen door voor hem onder die voorwaarden een lening te regelen.

De rechtbank acht onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor het bewijs dat ook de eerste lening van €27.000 al verband hield met mogelijke omkoping, alleen al omdat omstreeks april 2009 het Schildersbedrijf medeverdachte 2 voor wie medeverdachte 1 richting de gemeente in de periode hierna optrad, zoals hieronder zal worden besproken, nog geen werkzaamheden verrichtte voor de gemeente.

Dit is anders voor de ophoging van de geldlening met €19.000 in december 2009/januari 2010, omdat dit kort volgt op contacten tussen verdachte en medeverdachte 1 in augustus 2009, over werkzaamheden die Rinus (de rechtbank begrijpt: medeverdachte 2 ) mogelijk op korte termijn al voor de gemeente Den Haag zou kunnen uitvoeren.

Bewezen acht de rechtbank dan ook het verstrekken van een dienst in de vorm van een geldlening (tenlastegelegd onder a) ter hoogte van €19.000. Nu dit bedrag het in de tenlastelegging onder b omschreven bedrag van €10.000 omvat, alsmede het gestorte bedrag van €9000 in de tenlastelegging omschreven onder d, zal de rechtbank van de onderdelen b en d vrijspreken. Dat geldt eveneens voor het onder c gemaakte verwijt, nu de Audi TT blijkt te zijn aangeschaft met het contant uitgekeerde deel van de €19.000.

Verder bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte op 11 mei 2010 een bedrag van €1.050 van medeverdachte 2 heeft ontvangen, zodat verdachte eveneens van het onder e) ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

Tenslotte hebben verdachte en medeverdachte 3 verklaard dat zij twee weken lang voor een vakantie met het gezin in Port Zélande kosteloos de boot van medeverdachte 1 hebben gebruikt. Uit de verklaringen van getuige 4 en een tapgesprek en sms-bericht tussen verdachte en medeverdachte 1 maakt de rechtbank op dat dit in 2010 moet zijn geweest.

Ook op dit onderdeel concludeert de rechtbank, dat medeverdachte 1 hiermee aan verdachte een dienst heeft verleend.

Verdachte wist of vermoedde redelijkerwijs dat de giften werden gedaan, teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten

Verdachte is via zijn vriend medeverdachte 1 in contact gekomen met medeverdachte 2 en diens Schilderbedrijf medeverdachte 2. Medeverdachte 2 was een goede vriend van medeverdachte 1. De echtgenote van medeverdachte 1, getuige 1, zorgde voor de administratie van dat schildersbedrijf. medeverdachte 2 zat om werk verlegen en medeverdachte 1 heeft aan verdachte gevraagd of hij nog werk had aan te besteden. Medeverdachte 1 – naar eigen verklaring – hielp Van der Marel met het opstellen van offertes en stond hem bij in verschillende werkzaamheden. Dit deed hij al jaren. Verder verklaren verschillende getuigen dat medeverdachte 2 gezondheidsproblemen had en daarom zelf weinig uitvoerend werk deed voor het bedrijf.

Op 26 augustus 2009 hadden verdachte en medeverdachte 1 een telefoongesprek over medeverdachte 2. Uit dit gesprek kan worden opgemaakt dat verdachte op dat moment bezig was medeverdachte 2 bij de gemeente te introduceren, zodat hij hem vervolgens opdrachten kon toespelen. Verdachte vroeg aan medeverdachte 1 of hij de opdrachten rechtstreeks met medeverdachte 2 moest bespreken of dat hij dit via medeverdachte 1 moest doen. Hierop antwoordde medeverdachte 1 dat het via hem moest gaan, omdat hij de facturen van Van der Marel maakte en hem begeleidde. Vervolgens wordt gehoord dat verdachte zei dat dat prima is, maar dat als ze elkaar tegen komen ze dan geen vrienden zijn en dat wanneer zij niet alleen zijn, zij zich netjes aan elkaar voorstellen. De rechtbank maakt hieruit op dat verdachte – in ieder geval vanaf toen – wist dat medeverdachte 1 enig belang had bij/in Schildersbedrijf medeverdachte 2 Ook maakt de rechtbank uit de instructie de vriendschap te verhullen op dat verdachte zich bewust was van de mogelijke ontoelaatbaarheid van zijn handelen. Het verweer dat het gebruikelijk was om elkaar bij zakelijke ontmoetingen met de achternaam aan te spreken en die instructie dus niets te betekenen had, acht de rechtbank niet overtuigend. Verdachte wil het immers doen voorkomen of ze elkaar in het geheel niet kennen.

In de periode van 15 september 2009 tot en met 23 maart 2011 zijn vanuit de gemeente Den Haag via verdachte 13 werken aan Schildersbedrijf medeverdachte 2 gegund voor een totaalbedrag van €153.473-. Verdachte heeft, op advies van medeverdachte 1, zijn leidinggevende niet verteld dat hij opdrachten aan Schildersbedrijf medeverdachte 2 gunde op aanwijzen van medeverdachte 1. Verder is nog gebleken dat medeverdachte 1 ten aanzien van enkele opdrachten bijna €50.000 aan commissiekosten aan Van der Marel heeft gefactureerd.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat medeverdachte 1 de kennelijke bedoeling had om met het geven van giften of het verlenen van diensten een voorkeursrelatie te bewerkstelligen en dat verdachte zijn mogelijkheden en bevoegdheden zou aanwenden om Schildersbedrijf medeverdachte 2 opdrachten te laten verkrijgen van de gemeente Den Haag en dat verdachte dit wist. Mogelijk wist verdachte van die bedoeling van medeverdachte 1 nog niet ten tijde van de eerste lening bij bedrijf (betrokkene) in april 2009, en had verdachte toen ook zelf nog niet de bedoeling om medeverdachte 1 / medeverdachte 2 te begunstigen, maar vanaf het moment van de ophoging van deze lening in december 2009/januari 2010 en daarna moest hij – minst genomen – vermoeden dat dit de bedoeling was van medeverdachte 1 en acht de rechtbank bewezen dat het ook zijn bedoeling was om medeverdachte 1 / medeverdachte 2 te begunstigen.

Verdachte was – zoals hiervoor reeds overwogen in het kader van de omkoping door bedrijf V.O.F. van betrokkene / betrokkene 1 – ook in staat om dit alles te bewerkstelligen voor Schildersbedrijf medeverdachte 2

Het handelen al dan niet in strijd met zijn plicht

Voor het bestanddeel “ handelen in strijd met zijn plicht” uit artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht, is het voldoende indien de giften aan een ambtenaar zijn gedaan met het doel een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan of te onderhouden teneinde een voorkeursbehandeling te krijgen en de ambtenaar dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden.

Uit de bovenstaande vaststelling van de rechtbank dat verdachte diensten van aanmerkelijke financiële waarde van medeverdachte 1 heeft geaccepteerd in ruil voor de gunning van opdrachten, staat ook vast dat verdachte heeft gehandeld in strijd met zijn plicht als ambtenaar. In dit verband wijst de rechtbank tevens op de wijze, waarop verdachte contact hield met medeverdachte 1.

In november 2010 hadden verdachte, medeverdachte 1 en medeverdachte 2 contact over twee offertes ten behoeve van gemaal en bedrijf 16. Verdachte zei in een telefoongesprek met medeverdachte 2 ‘het maakt mij geen reet uit maar als ze gaan kijken bedrijf 16 heb je voor 62 half, 62,7 zoveel gedaan en hier zit je aan de 6850 en in principe is het de helft van de oppervlakte’. Vervolgens zei verdachte ‘ik zet er wel bij dat je er ook een paar gipsplaten in hebt gezet, dat zet ik er zelf wel bij’. Daarna stuurde medeverdachte 1 een aangepast versie naar verdachte, waarin vermeld staat ‘Het verwijderen en vervangen van twee plafond platen i.v.m. waterschade’. De definitieve offerte van Schildersbedrijf medeverdachte 2 is bij de gemeente Den Haag aangetroffen. Hierin staat vermeld ‘Het verwijderen en vervangen van twee plafond platen i.v.m. waterschade’. Blijkens inspectie van gemaal zijn de plafondplaten niet vervangen.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte opmerkt dat de offerte voor gemaal hoger is dan de offerte voor gemaal bedrijf 16, terwijl gemaal de helft minder oppervlakte heeft. Doordat dit bij controle zou opvallen, heeft verdachte in de offerte opgenomen dat de plafondplaten zijn vervangen, terwijl dat niet het geval is. Verdachte heeft aldus in strijd met zijn plicht informatie verschaft aan medeverdachte 1 en Van der Marel voor het indienen van een opgehoogde offerte.

Verder was verdachte in maart 2011 betrokken bij een aanbesteding voor het schilderen van zeecontainers. Twee bedrijven, te weten bedrijf 4 en bedrijf 5, hadden hiervoor bij de gemeente Den Haag al offertes ingediend. In een telefoongesprek zei medeverdachte 1 tegen medeverdachte 2 dat de klus aan hen gegund wordt en dat verdachte later zou langskomen met een offerte. Verdachte had de offertes van die twee bedrijven per e-mail doorgestuurd naar medeverdachte 1 en hem geadviseerd hoe hij zijn eigen offerte, de rechtbank begrijpt voor Schildersbedrijf medeverdachte 2, moest opstellen. Medeverdachte 2 krijgt de uiteindelijk aanbesteding niet, waarna verdachte in een telefoongesprek tegen medeverdachte 1 zei dat hij nog wel meer leuke dingen heeft en het goed komt. Verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad toen een offerte aan medeverdachte 1 heeft verstrekt.

De rechtbank concludeert dat verdachte Schildersbedrijf medeverdachte 2 wilde begunstigen en een voorkeurspositie wilde geven door concurrentiegevoelige informatie aan medeverdachte 2 en medeverdachte 1 door te geven ten behoeve van het opstellen van een gunstige offerte. De verklaring van verdachte dat hij de offerte slechts heeft verstrekt teneinde een voorbeeld te geven van hoe een dergelijke offerte moet worden opgesteld acht de rechtbank onaannemelijk. Niet valt in te zien waarom verdachte niet een geheel andere, niet aan dat werk gerelateerde offerte als voorbeeld had kunnen geven, zodat hij de concurrenten niet overduidelijk benadeelde. Ook heeft verdachte aan medeverdachte 1 toegezegd dat er weer toekomstig werk zal zijn. Verdachte heeft hiermee gehandeld in strijd met zijn plicht.

Zoals hierboven aangegeven, wenste verdachte dat zijn contact met medeverdachte 1 / medeverdachte 2 als zijn vriend of kennis niet naar buiten kwam. Zo zei verdachte tegen medeverdachte 1 en medeverdachte 2 dat, als er anderen bij zijn, zij zich netjes moeten voorstellen of dat zij elkaar niet kennen en bij een andere gelegenheid heeft verdachte tegen medeverdachte 1 gezegd het gesprek snel af te ronden, omdat verdachtes collega aan kwam lopen, die het gesprek kennelijk niet mocht horen.

De rechtbank concludeert dat verdachte door de privérelatie met medeverdachte 1 / medeverdachte 2 niet te melden bij zijn leidinggevende, zoals hijzelf heeft bevestigd, en toch in zijn functie als ambtenaar zaken met hen te doen, ook op zichzelf al heeft gehandeld in strijd met zijn plicht. Maar zijn handelen ging verder dan dat, zoals blijkt uit voornoemde communicatie rondom de opdrachten met betrekking tot het gemaal de Bras en de zeecontainers, waarbij sprake is geweest van manipulatie van facturen en toespelen van concurrentiegevoelige informatie.

De vorenstaande feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beziende, concludeert de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat medeverdachte 1 door het doen van giften en het verlenen van diensten een voorkeurspositie voor Schildersbedrijf medeverdachte 2 wilde bewerkstelligen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat onvoldoende is komen vaststaan dat verdachte anders dan om zakelijke redenen prestatieverklaringen heeft afgegeven of meerwerk heeft goedgekeurd, zodat verdachte van het onder vi) en vii) ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Dit brengt mee dat het in dat kader door de verdediging gedane voorwaardelijk verzoek tot nader boekenonderzoek wordt afgewezen, vanwege gebrek aan noodzaak.

Dagvaarding II, ten aanzien van feit 1: medeplegen van (gewoonte)witwassen

Niet ter discussie heeft gestaan, en in het kader van het bewijs van het aannemen van diensten al hierboven besproken, dat verdachte en zijn medeverdachte 3 via medeverdachte 1 een geldbedrag van €46.000 hebben ontvangen van bedrijf (betrokkene) te Dubai. Hiervan is een geldbedrag van €37.000 in delen contant verstrekt en het overige direct gestort op de gezamenlijke bankrekening van verdachte en medeverdachte 3.

Afkomstig van enig misdrijf

getuige 1, de echtgenote van medeverdachte 1, heeft op 26 april 2011 bij de politie verklaard dat medeverdachte 1 jarenlang in de wiethandel heeft gezeten en daar veel geld mee heeft verdiend. Ook zou hij in 2008/2009 nog een wiethok hebben gehad met medeverdachte 2 Op 25 januari 2008 is zijzelf op Schiphol gefouilleerd terwijl zij €100.000 aan contanten bij zich droeg. medeverdachte 1 had dit aan haar gegeven en gezegd dat zij moest verklaren dat het geld nodig was om boten te kopen in Turkije. Zij wist dat medeverdachte 1 grote bedragen aan contant geld stortte op Turkse bankrekeningen.

Verder werd getuige 1 gedurende het verhoor geconfronteerd met onderzoeksbevindingen van het onderzoek Goudhaantje. Daaruit bleek dat in de periode van mei 2006 tot en met juli 2009 contante geldbedragen van in totaal meer dan €3,4 miljoen zijn gestort op Turkse bankrekeningen ten name van onder andere medeverdachte 1. Hiervan is een bedrag van in totaal €330.000 overgeboekt naar de bankrekening van bedrijf (betrokkene). Niet is gebleken van voldoende legale inkomsten van medeverdachte 1 die de contante stortingen zouden kunnen verklaren en getuige 1 kon desgevraagd die verklaring ook niet geven.

De rechtbank acht de verklaring van getuige 1 betrouwbaar, omdat zij in dit verhoor niet alleen medeverdachte 1 maar ook zichzelf belast. Verder wordt haar verklaring ondersteund door getuige 4 die verklaart dat medeverdachte 1 hem heeft verteld dat hij geld verdiende in de drugshandel dat naar een bedrijf in Turkije ging en dat geld vervolgens gebruikte via een investeringsmaatschappij in Dubai. De rechtbank acht het buitengewoon onaannemelijk dat het hier om een andere investeringsmaatschappij zou gaan dan om bedrijf (betrokkene).

Dat medeverdachte 1 zich bezighield met handel in verdovende middelen wordt verder aangetoond door het veroordelend vonnis van 31 juli 2012 van de rechtbank Rotterdam terzake meerdere Opiumwetfeiten, waarbij hem een gevangenisstraf van 5 jaar is opgelegd.

Nu medeverdachte 1 beschikte over grote (contante) geldbedragen, niet gebleken is van voldoende legale inkomsten en medeverdachte 1 zich in de drugswereld heeft bevonden, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het door medeverdachte 1 / bedrijf (betrokkene) verstrekte geld afkomstig is van enig misdrijf. Deze conclusie past ook bij het kennelijke gemak waarmee medeverdachte 1 dat geld uitleent.

Verwerven, voorhanden hebben, overdragen en omzetten

Verdachten hebben €46.000 van voornoemde criminele gelden verworven en voorhanden gehad. Hiervan is €9.000 gestort op de bankrekening van verdachten en het overige is op verschillende momenten contant ontvangen en vervolgens ook op de bankrekening gestort, uitgegeven aan een Audi TT danwel opgegaan aan niet langer te specificeren (dagelijkse) uitgaven. De rechtbank zal zich bij de bewezenverklaring beperken tot het ingeleende geld, om een mogelijke dubbeltelling te voorkomen.

Wetenschap of redelijkerwijs moeten vermoeden dat het geld afkomstig is van misdrijf

De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn vrouw medeverdachte 3 in het kader van de geldleningen via medeverdachte 1 grote sommen contant geld hebben ontvangen, waaronder een deel in kleine coupures, welke geldbedragen, ook vóór de ondertekening van een schriftelijke overeenkomst van lening, door medeverdachte 1 bij hen thuis zijn afgegeven zonder dat hiervoor een kwitantie behoefte te worden getekend. Die omstandigheden zouden verdachte al redelijkerwijs hebben moeten doen vermoeden dat dit geld geen legale herkomst had. Maar ook de volgende omstandigheden hadden aanleiding moeten geven tot vereiste voorzichtigheid over de herkomst van dit geld. Kennelijk hoefde hij zich niet druk te maken over de terugbetaling, en is van het bestaan van een onderpand voor de lening niet gebleken. Toen verdachte en medeverdachte 3 op enig moment zijn gestopt met het betalen van rente en de lening – op €5000 na – dus niet is afbetaald, heeft dat geen enkele consequentie gehad en tenslotte hebben ze van medeverdachte 1 / bedrijf (betrokkene) hierover kennelijk nooit meer iets vernomen.

Verdachte heeft ter zitting meer dan eens verklaard dat het hem niets kon schelen waar het geld van medeverdachte 1 vandaan kwam, als hij zijn centen maar kreeg. Met deze opstelling en in onderlinge samenhang bezien met de hiervoor besproken omstandigheden, hebben verdachte en medeverdachte 3 evident willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de ontvangen gelden afkomstig waren uit enig misdrijf. Tegen die achtergrond hecht de rechtbank dan ook weinig waarde aan de verklaringen van verdachte en medeverdachte 3 dat zij dachten dat medeverdachte 1 hen als vriend wel wilde helpen en dat zij hem vertrouwden toen hij hen zou hebben verteld dat hij dit geld had verkregen uit de verkoop van een metaal bedrijf. Teminder nu dit niet strookt met hun verklaring dat zij niet wisten wat de betrokkenheid was van medeverdachte 1 bij bedrijf (betrokkene) en dus niet zouden hebben geweten dat dit feitelijk zijn geld was.

Medeplegen

Tussen verdachte en medeverdachte 3 was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking zodat beide echtgenoten kunnen worden aangemerkt als medepleger. Beiden waren blijkens eigen verklaringen volledig op de hoogte van de (contante) geldbedragen die via medeverdachte 1 binnenkwamen, de voorwaarden die waren gesteld aan de lening, en beiden hebben de lening getekend en hiervan geprofiteerd. Contante stortingen zijn door beiden gedaan en dat verdachte bijvoorbeeld met een deel van dit geld een Audi TT ging aanschaffen was ook medeverdachte 3 bekend.

Verdachte heeft zich aldus tezamen en in vereniging met medeverdachte 3 schuldig gemaakt aan witwassen van geld met criminele herkomst.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de frequentie van de witwashandelingen, niet bewezen kan worden dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Verdachte zal van dat onderdeel worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

  • Dagvaarding I, feit 1: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben en gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;
  • Dagvaarding I, feit 2, én dagvaarding II, feit 2: als ambtenaar een gift, belofte of dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd;
  • Dagvaarding II, feit 1: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 24 uur en een geldboete van €50.000 waarvan €35.000voorwaardelijke met een proeftijd van 5 jaar.

De rechtbank legt als bijkomende straf op de ontzetting van het recht om een ambt te bekleden in rijks-, provinciaal of gemeentelijk verband, dan wel enige andere organisatie met overheidsstatus voor de duur van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF