Tussenbeslissingen in de zaak Vestia

Rechtbank Rotterdam 13 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4427

In de Vestia-zaak heeft op 6 en 7 juni jl. een regiezitting plaatsgevonden. Ter zitting zijn de onderzoekswensen van de verdediging besproken. Deze uitspraak betreft de beslissing op deze gedane onderzoekswensen. 

Feiten 1 op de tenlasteleggingen van verdachte 1 en verdachte 2

Met betrekking tot deze feiten zijn geen onderzoekswensen gedaan.

 

Feit 2 op de tenlasteleggingen van verdachte 1 en verdachte 2 en feit 1 op de tenlasteleggingen van verdachte 3 en verdachte 4

Voorafgaande overwegingen

De kern van het verwijt dat verdachte 1 en verdachte 2 onder feit 2 wordt gemaakt is – zakelijk weergegeven – dat zij tezamen bedrijf hebben opgelicht, door bedrijf schulden (in de vorm van derivatencontracten/swapcontracten) met diverse banken te laten aangaan, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van de volgende oplichtingsmiddelen:

  • het in strijd met de waarheid de indruk wekken bij (de commissarissen en bestuurders van) bedrijf, dat verdachte 2, in zijn functie van Treasury en Controle manager van bedrijf, enkel de belangen van bedrijf zou behartigen bij het aangaan van voormelde contracten;
  • het voor (de commissarissen en bestuurders van) bedrijf verzwijgen dat door de desbetreffende banken ter zake van de tussen hen en bedrijf tot stand gekomen derivatencontracten aan verdachte 1 en/of de door hem bestuurde onderneming bedrijf van verdachte 1, handelend onder de naam bedrijf van verdachte 1, provisies (“fees”) werden betaald en dat een deel van die provisies/fees door verdachte 1 aan verdachte 2 werd doorbetaald;
  • het uit door banken in verband met voormelde contracten verzonden zogenoemde (pre-) confirmation e-mailberichten verwijderen van de daarin door die banken gedane mededeling dat door hen een fee zou worden betaald aan verdachte 1 en/of bedrijf van verdachte 1),

en het vervolgens doorsturen van deze aldus gewijzigde e-mailberichten aan (een medewerkster Treasury administratie van) bedrijf.

Verdachte 3 en verdachte 4 wordt het witwassen van geld verweten, welk geld volgens het Openbaar Ministerie afkomstig is uit, althans door verdachte 1 (zoon van verdachte 3 en ex-echtgenoot van verdachte 4) verkregen is door, de hierboven vermelde oplichting van bedrijf.

Mocht derhalve de rechtbank van oordeel zijn dat verdachte 1 geen belang heeft bij het horen van een of meer getuigen ter zake van de hem verweten oplichting, dan geldt dat ook voor de door verdachte 3 en verdachte 4 gedane verzoeken tot het horen van diezelfde getuige(n) in het kader van het hen (verdachte 3 en verdachte 4) verweten witwassen.

Overwegingen ten aanzien van de door de verdediging verzochte getuigen

1. De Raad van Commissarissen van bedrijf

Verdachte 1 en verdachte 3 hebben verzocht om diverse leden van de Raad van Commissarissen van bedrijf als getuigen te horen. verdachte 1 heeft in het bijzonder verzocht om de heer getuige 1, voormalig voorzitter van de Raad van Commissarissen bij bedrijf, als getuige te horen. De verdediging wenst hem te bevragen over de aanvaarding door bedrijf van de risico’s die in de derivatencontracten besloten lagen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Hoewel de Raad van Commissarissen van bedrijf uitdrukkelijk onder feit 2 in de tenlastelegging van verdachte 1 en verdachte 2 wordt genoemd, is in het opsporingsonderzoek niemand uit de Raad van Commissarissen als getuige gehoord. De rechtbank acht het daarom in het belang van de verdediging van verdachte 1, en daarmee ook van verdachte 2 en verdachte 3, om één van de leden, en wel de voorzitter van de Raad van Commissarissen als getuige te horen. Omdat verdachte 2 en verdachte 3 niet hebben verzocht om getuige 1 als getuige te horen, zal de rechtbank deze getuige ambtshalve laten horen in hun zaken.

Het verhoor van deze getuige dient zich echter, anders dan verdachte 1 heeft verzocht, niet te richten op de vraag of de Raad van Commissarissen van bedrijf bekend was met de risico’s van de derivatencontracten. Binnen het kader van de tenlastelegging dient te worden onderzocht of bedrijf de derivatencontracten ook (onder dezelfde condities) zou hebben gesloten als zij, althans de Raad van Commissarissen, bekend was geweest met de rol en de (financiële) belangen van verdachte 1 en verdachte 2 bij het afsluiten van die contracten. De aan de getuige te stellen vragen dienen zich dan ook hierop te richten.

De rechtbank acht het horen van de voorzitter van de Raad van Commissarissen van bedrijf als getuige in dit stadium afdoende en ziet geen belang voor de verdediging om ook de overige leden 5 leden als getuigen te horen. Die verzoeken worden daarom afgewezen.

2. Getuige 2 en getuige 3

De rechter-commissaris heeft in de zaken tegen verdachte 1, verdachte 2 en verdachte 3 reeds beslist dat de heer getuige 2, voormalig directeur van bedrijf, als getuige moet worden gehoord. Het verhoor heeft inmiddels een aanvang genomen, maar moet nog door de rechter-commissaris worden afgerond.

De rechtbank behoeft op dit verzoek dan ook geen beslissing meer te nemen.

Verdachte 1, verdachte 2 en verdachte 3 hebben verzocht de heer getuige 3, oud-werknemer van bank 1, als getuige te horen. Getuige 3 heeft in het vooronderzoek ontlastend verklaard over hetgeen de verdachten verdachte 1 en verdachte 2 wordt verweten en tegenstrijdig aan hetgeen getuige 2 als getuige heeft verklaard. De rechtbank acht het daarom in het belang van de verdediging om getuige 3 als getuige te horen, teneinde hem te kunnen confronteren met de door getuige 2 afgelegde verklaring. Dit verzoek wordt dan ook toegewezen.

3. (Overige) Bankiers

Verdachte 1, verdachte 2 en verdachte 3 hebben verzocht diverse personen, werkzaam bij verschillende nationale en internationale banken, hierna te noemen: bankiers, als getuigen te horen.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde wijziging van de tenlastelegging in de zaken tegen verdachte 1 en verdachte 2 toegewezen, waardoor de verdachten – kort gezegd – niet meer wordt verweten dat zij bedrijf door de hiervoor genoemde oplichtingsmiddelen hebben bewogen tot het aangaan van een schuld met bank 2.
verdachte 1 noch verdachte 3 hebben daarom nog een belang bij het horen van de door hen opgegeven medewerkers van die bank als getuigen. Die verzoeken worden daarom afgewezen.

Het betreft hier de volgende personen:

  • 3 personen

Voor zover de verdediging aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd dat bankiers kunnen verklaren in algemene zin over de rol van de respectievelijke banken bij de totstandkoming van de derivatencontracten met bedrijf, de totstandkoming van fees en het contact tussen de bank en verdachte 1 c.q. bedrijf van verdachte 1, oordeelt de rechtbank als volgt. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat de tenlastelegging dient te worden gewijzigd in dier voege dat de passage dat de verdachte “-de bank(en) verzocht om in een derivatencontract/ swapcontract niet op te nemen dat er een fee is/was/zal worden betaald aan hem, verdachte, en/of bedrijf van verdachte 1”, zal worden geschrapt. Nu de rechtbank deze binnen de grenzen van artikel 313 Sv gedane vordering heeft toegewezen, maakt die rol van de banken niet (langer) deel uit van enige beslissing in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv. Verder is niet gesteld noch gebleken dat deze personen belastend hebben verklaard voor de verdachten over hetgeen hun concreet wordt verweten of dat hun verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het hun tenlastegelegde. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Het gaat hier om de volgende bankiers:

  • 14 bankiers

De verdediging heeft voorts betoogd dat het horen van bepaalde bankiers als getuigen relevant is voor de vraag of bedrijf nadeel heeft ondervonden als gevolg van het door de banken betalen van fees aan verdachte 1 c.q. zijn bedrijf bedrijf van verdachte 1. De omvang van het door bedrijf geleden nadeel kan, aldus de verdediging, een rol spelen bij de straftoemeting en het is daarom in het belang van de verdediging dat die bankiers als getuigen worden gehoord.

De verdediging heeft in dit kader onder meer verwezen naar de richtlijnen met betrekking tot fraudezaken van het LOVS, waar de hoogte van het benadelingsbedrag uitdrukkelijk wordt genoemd als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen straf.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

In lang niet alle gevallen kan (de hoogte van) de als gevolg van fraude geleden schade eenvoudig worden vastgesteld; ook bij de in de onderhavige zaken aan verdachte 1 en verdachte 2 tenlastegelegde oplichting speelt dit probleem. Onder omstandigheden, zoals ook hier, zal dan de straftoemeting dienen te geschieden aan de hand van andere criteria dan het benadelingsbedrag. In dit verband is van belang dat artikel 326, lid 1 Wetboek van Strafrecht strafbaar stelt: “Hij die met het oogmerk om zich of een ander te bevoordelen…”. Mede gelet hierop kan in geval van fraude ook (de omvang van) het daardoor door de dader wederrechtelijk verkregen voordeel bij de straftoemeting als criterium worden gehanteerd. Mocht de aan verdachte 1 en verdachte 2 tenlastegelegde oplichting in rechte komen vast te staan, dan zal laatstgenoemd criterium, naast andere criteria, door de rechtbank kunnen worden toegepast bij het bepalen van de hoogte van de eventueel aan hen op te leggen straf.

Nu het nadeel dat bedrijf heeft geleden geen rol zal spelen bij een eventuele straftoemeting, zijn de verklaringen van voormelde bankiers in zoverre dus niet relevant voor enig in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. De verdediging heeft gezien het vorenstaande geen belang bij het horen van deze bankiers als getuigen en ook overigens ziet de rechtbank geen belang voor de verdediging om één of meer van de volgende bankiers als getuigen te horen:

  • 10 bankiers

De verzoeken tot het horen van alle voornoemde personen als getuigen worden vanwege het ontbreken van enig verdedigingsbelang afgewezen.

4. Bankier

Verdachte 1 heeft ter terechtzitting verzocht om bankier, voormalig werknemer bij bank 3, als getuige te horen. Dit verzoek had hij nog niet eerder gedaan. Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat bank 3 een due diligence-onderzoek naar bedrijf van verdachte 1 was gestart, zonder dat die bank zaken had gedaan met bedrijf van verdachte 1 en zonder dat verdachte 1 hiervan op de hoogte was, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat diverse banken het vermoeden hadden dat verdachte 1 fees doorbetaalde aan verdachte 2 en bankmedewerkers hier met elkaar over spraken.

Bij de huidige stand van het onderzoek is de rechtbank van oordeel dat verdachte 1 geen belang heeft bij het horen van bankier als getuige. Het feit dat banken op de hoogte zouden zijn van enige relatie tussen verdachte 1 en verdachte 2 doet immers niets toe of af aan de wetenschap daaromtrent bij bedrijf c.s. zoals geformuleerd binnen het kader van de tenlastelegging. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

5. Persoon 1 en persoon 2

Verdachte 1 en verdachte 3 hebben verzocht persoon 1 en persoon 2, beiden werkzaam bij het bedrijf X, als getuigen te horen.

Uit de motivering van de verdediging tot het horen van persoon 1 als getuige kan worden afgeleid dat persoon 1 een getuige à charge zou zijn. De verdediging wenst de betrouwbaarheid van die verklaring te toetsen. Daarnaast is aangevoerd dat verdachte 1 heeft verklaard dat persoon 1 met bankier sprak over steekpenningen aan verdachte 2 en dat verdachte 1 zelf ook met persoon 1 over steekpenningen heeft gesproken.

Uit het verhoor van persoon 1 bij de FIOD blijkt echter niet dat persoon 1 belastend over verdachte 1 heeft verklaard. Ook komt in de verklaring van persoon 1 het woord “steekpenningen” niet voor. Overigens komt ook in alle bij de FIOD afgelegde verklaringen van verdachte 1 het woord “steekpenningen” niet voor, behoudens in V01-05, maar dat woord is toen niet gebruikt in dit kader. Het verzoek tot het horen van persoon 1 als getuige ontbeert derhalve feitelijke grondslag en zal daarom worden afgewezen.

Uit de toelichting op het verzoek van de verdediging blijkt dat persoon 2 in het algemeen kan verklaren over bedrijf van verdachte 1. persoon 2 is niet eerder als getuige gehoord en heeft dus niet belastend verklaard over de verdachte. Uit de onderbouwing van het verzoek blijkt voorts niet dat hij concreet kan verklaren over een alternatieve lezing voor hetgeen verdachte 1 wordt verweten. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat de verdediging enig belang heeft bij het horen dat persoon 2 als getuige. Het verzoek wordt afgewezen.

 

Feit 3 op de tenlastelegging van verdachte 1 en feit 1 op de tenlasteleggingen van verdachte 3 en verdachte 4

Verdachte 1 heeft teneinde de beschuldiging van het witwassen te weerleggen verzocht meerdere personen als getuigen te horen, die kunnen verklaren over het feit dat hij op 15 maart 2012 juist openheid van zaken over zijn handelen heeft gegeven aan onder meer het Openbaar Ministerie en de FIOD en over het sluiten van het convenant met bedrijf op 11 mei 2012, waardoor zijn gehele vermogenspositie bekend werd.

De onder feit 3 in de tenlastelegging verweten concrete witwashandelingen zijn echter alle, op één handeling na, begaan vóór 15 maart 2012 en dus vóór het moment waarop verdachte 1 aan de FIOD en het Openbaar Ministerie openheid van zaken heeft gegeven en door hem (met bedrijf) het convenant met daarbij gevoegde vermogensopstelling werd gesloten.

Het horen van de verzochte personen als getuigen die slechts kunnen verklaren over gebeurtenissen vanaf 15 maart 2012 kan daarom niet bijdragen aan een uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing (behoudens wellicht in het kader van de straftoemeting, maar daarvoor zijn geen getuigenverzoeken gedaan).

De enige tenlastegelegde (voortgezette) witwashandeling die is gedateerd na 15 maart 2012 is het over (laten) maken van twee bedragen op 12 juni 2012 op de Zwitserse bankrekening van verdachte 3. Dit betreft echter een voortgezette handeling van een eerdere witwashandeling (het laten overboeken van gelden naar een andere Zwitserse bankrekening) die was gedaan vóór 15 maart 2012 en voor welk onderdeel verdachte 1 geen concreet verzoek tot het horen van getuigen heeft gedaan.

Verdachte 3 en verdachte 4 hebben eveneens verzocht diverse getuigen te horen over het sluiten van eerdergenoemd convenant. Voor hen geldt echter hetzelfde als hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van verdachte 1.

De aan verdachte 3 en verdachte 4 in de tenlasteleggingen verweten concrete witwashandelingen zijn begaan vóór 11 mei 2012 en dus vóór het moment van sluiten van het convenant tussen bedrijf en verdachte 1 waarbij zijn vermogenspositie (aan bedrijf, doch nog niet aan de FIOD en/of het Openbaar Ministerie) bekend werd.

Het horen van de verzochte personen als getuigen kan daarom niet bijdragen aan enige uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.

Verdachte 3 en verdachte 4 wordt voorts een (voortgezette) witwashandeling verweten die is gedateerd na 11 mei 2012, namelijk het (laten) overmaken van twee bedragen op 12 juni 2012 op de Zwitserse bankrekening van verdachte 3. De verdediging heeft voor dit verwijt echter geen alternatief scenario aangedragen en een getuige opgegeven wiens verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde. Het verzoek tot het horen van getuigen op dit punt wordt daarom als ongemotiveerd afgewezen.

Gezien het vorenstaande worden de verzoeken tot het horen van de volgende personen als getuigen afgewezen:

  • personen 3 t/m 11
  • persoon 12: ook het subsidiaire verzoek van de verdediging om door persoon 12 een nader proces-verbaal op te laten maken, wordt vanwege het ontbreken van een verdedigingsbelang afgewezen)
  • persoon 13 (in de zaken tegen verdachte 3 en verdachte 4).

Wat betreft persoon 13 overweegt de rechtbank nog het volgende.

Persoon 13 is reeds als getuige gehoord door de rechter-commissaris in de zaak tegen verdachte 1. De rechter-commissaris heeft het verzoek van verdachte 3 tot het horen van persoon 13 als getuige afgewezen.

De raadsman van verdachte 3 heeft het verzoek tot het horen van persoon 13 als getuige ter terechtzitting aangevuld met de opmerking dat hij relevante vragen heeft voor persoon 13 die nog niet zijn gesteld. De raadsman heeft zijn stelling echter niet nader onderbouwd, zodat zijn aanvullende verzoek om die reden zal worden afgewezen.

De officier van justitie heeft toegezegd dat zij het proces-verbaal van het verhoor van persoon 13 als getuige in de zaak tegen verdachte 1 zal voegen in het dossier van de zaak tegen verdachte 3.

Persoon 14: Verdachte 1 en verdachte 3 hebben verzocht persoon 14, bankier bij de bank 4, als getuige te horen met als onderbouwing dat “hij in het algemeen een goed beeld heeft van het niet verhullen van de herkomst van het geld” respectievelijk dat “hij kan verklaren over de opgegeven redenen van het overmaken van het geld naar bank 5”.

De motivering tot het horen van deze getuige is in zeer algemene bewoordingen gesteld. Niet is aangevoerd waarover deze getuige concreet zou kunnen verklaren, noch heeft de verdediging een alternatief scenario voor het tenlastegelegde verwijt aangevoerd waarover deze getuige zou kunnen verklaren, terwijl een dergelijke concrete onderbouwing wel van de verdediging mag worden verwacht.

Dit verzoek wordt als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.

 

Feiten 4 en 5 op de tenlastelegging van verdachte 1

Verdachte 1 heeft in dit kader verzocht personen 15 t/m 18 te horen. Hij heeft aangevoerd dat deze personen zijn accountants/financiële adviseurs waren en dat hij mocht vertrouwen op hun mededelingen en adviezen.

De rechtbank is van oordeel dat de verdediging geen belang heeft bij het horen van deze personen als getuigen. Zij hebben eerder niet belastend verklaard over verdachte 1. Voorts heeft de verdediging het verzoek niet concreet onderbouwd, in die zin dat niet gesteld is wat voor informatie voornoemde personen precies aan verdachte 1 hebben verstrekt of dat zij

Verdachte 1 verkeerd hebben voorgelicht. De verdediging heeft derhalve geen alternatieve lezing gegeven voor de verwijten die verdachte 1 worden gemaakt welke de genoemde personen zouden kunnen staven met hun verklaringen en het dossier biedt ook overigens geen aanknopingspunten voor een alternatief scenario. De verzoeken worden afgewezen.

 

Feiten 6 en 7 op de tenlastelegging van verdachte 1

Verdachte 1 heeft verzocht om personen 19 en 20 als getuige te horen.

Beide personen zijn niet eerder als getuige gehoord en hebben dus geen belastende verklaring afgelegd. Hetgeen zij kunnen verklaren is door de verdediging zeer algemeen geformuleerd. Niet gesteld is dat deze personen een alternatieve lezing kunnen geven voor hetgeen

Verdachte 1 wordt verweten en wat zij concreet daarover zouden kunnen verklaren.

Beide verzoeken worden wegens onvoldoende onderbouwing van het verdedigingsbelang afgewezen.

Overige getuigen

Verdachte 1, verdachte 3 en verdachte 4 hebben verzocht getuige 4 als getuige te horen.

Verdachte 1 heeft voorts verzocht getuige 5 als getuige te horen.

De rechter-commissaris heeft deze verzoeken reeds toegewezen, zodat de rechtbank hierop geen beslissing hoeft te nemen.

Medeverdachten

Meerdere verdachten hebben wederom verzocht om in hun zaak medeverdachten als getuigen te horen.

Deze verzoeken heeft de rechter-commissaris al eerder toegewezen. Omdat alle verdachten, die als getuigen in zaken van medeverdachten zouden worden gehoord te kennen hadden gegeven zich tijdens het verhoor op hun verschoningsrecht te zullen beroepen, heeft de rechter-commissaris in overleg met de verdachten en hun raadslieden het oproepen van de getuigen en dus ook het verhoor van de getuigen achterwege gelaten.

Desalniettemin zal de rechtbank de verzoeken van de verdediging toewijzen. Ook de eerdere beslissingen van de rechter-commissaris tot het ambtshalve horen van verdachten als getuigen in zaken van medeverdachten zal de rechtbank overnemen.

De rechtbank verzoekt de rechter-commissaris om alle getuigen op te roepen voor het verhoor en een proces-verbaal van die verhoren op te maken, ook in het geval een getuige op voorhand al te kennen geeft zich op zijn/haar verschoningsrecht te zullen beroepen.

Dat betekent dat als getuigen zullen worden gehoord:

  • in de zaak tegen verdachte 1: verdachte 2, verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6;
  • in de zaak tegen verdachte 2: verdachte 1, verdachte 5 en verdachte 6;
  • in de zaak tegen verdachte 3: verdachte 1, verdachte 4, verdachte 2 en verdachte 6.

Persoon 21

Zowel verdachte 1 als verdachte 3 hebben verzocht persoon 21 als getuige te horen.

persoon 21 was de psychiater van verdachte 1 in 2012 en 2013 en kan verklaren over de geestestoestand van verdachte 1.

De rechtbank overweegt als volgt. De psychische gesteldheid van een verdachte op het moment van het plegen van een strafbaar feit is van belang voor de beantwoording door de rechtbank van de vragen uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv. verdachte 1 heeft dus belang bij het horen van een getuige die daarover kan verklaren. Echter, verdachte 1 was nog niet onder behandeling van persoon 21 ten tijde van het plegen van de hem verweten feiten. persoon 21 kan daarom niet verklaren over zijn geestestoestand op die momenten. In zoverre heeft verdachte 1 dus geen belang bij het horen van persoon 21 als getuige.

De rechtbank ziet wel aanleiding om het voorstel van de officier van justitie in dezen te volgen, namelijk om Reclassering Nederland (hierna de reclassering) een rapport over verdachte 1 te laten opmaken en de reclassering te verzoeken voor de totstandkoming van dat rapport persoon 21 als referent te benaderen.

Bij de huidige stand van het onderzoek ziet de rechtbank geen aanleiding om in de zaak tegen verdachte 3 het verzoek tot het horen van psychiater persoon 21 als getuige toe te wijzen. Zij zal evenwel bepalen dat de nader op te maken reclasseringsrapportage over verdachte 1 zal worden gevoegd in het dossier van de zaak tegen verdachte 3. verdachte 1 heeft daar ter terechtzitting van 6 juni 2016 uitdrukkelijk toestemming voor gegeven.

Overige verzoeken

A. Dataroom

De raadslieden van verdachte 1 en verdachte 3 hebben verzocht om de dataroom beschikbaar te houden voor de verdediging.

De rechtbank acht het in het belang van de verdediging dat de dataroom in ieder geval tot het tijdstip dat de onderhavige strafzaken inhoudelijk ter terechtzitting zullen worden behandeld toegankelijk blijft voor de verdediging. Dit verzoek wordt derhalve toegewezen,

B. Proces-verbaal persoon 22 en persoon 23

Verdachte 1 heeft dit verzoek gedaan in het kader van de verweten witwasgedragingen.

Uit de toelichting op het verzoek blijkt dat persoon 22 en persoon 23 kunnen verklaren/verbaliseren over gebeurtenissen die ná het geven van openheid van zaken door

Verdachte 1 hebben plaatsgevonden. Zoals hiervoor reeds is overwogen, zijn de in de tenlastelegging verweten concrete witwashandelingen begaan vóór het moment waarop

Verdachte 1 openheid van zaken heeft gegeven. Het nader verbaliseren door persoon 22 en persoon 23 kan daarom niet bijdragen aan een uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Het verzoek wordt wegens het ontbreken van een verdedigingsbelang afgewezen.

C. Het ter inzage leggen van de notulen van de Raad van Commissarissen van bedrijf in de dataroom.

Dit verzoek is namens verdachte 1 gedaan. De officier van justitie heeft ter terechtzitting medegedeeld dat het Openbaar Ministerie niet in het bezit is van deze stukken. Het verzoek wordt daarom en omdat de rechtbank ook overigens het belang van de verdediging bij dit verzoek niet ziet, afgewezen.

D. Verstrekking telefoontaps verdachte 3, verdachte 1 en verdachte 4

Dit verzoek is namens verdachte 3 gedaan. Dit verzoek wordt toegewezen in die zin dat de verdediging in de gelegenheid moet worden gesteld om de getapte telefoongesprekken waaraan verdachte 3 heeft deelgenomen uit te luisteren.

E. Verstrekking opname verhoren verdachte 3

Dit verzoek van verdachte 3 wordt toegewezen in die zin dat de verdediging in de gelegenheid moet worden gesteld om de opnames te beluisteren op het kantoor van de FIOD.

F. Verstrekking opname verhoren verdachte 1

Dit verzoek is gedaan namens verdachte 3. Het verzoek zal worden afgewezen wegens het ontbreken van enig verdedigingsbelang.

 

Belissing

1. In de zaak tegen verdachte 1:

a) De zaak wordt verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde:

als getuigen te horen:

  • getuige 1, met de beperkingen, zoals hiervoor vermeld;
  • getuige 3;
  • verdachte 2;
  • verdachte 5;
  • verdachte 6;
  • verdachte 7;
  • de reeds toegewezen – maar nog niet gehoorde – persoon getuige 4 als getuige te horen;
  • het getuigenverhoor van getuige 2 af te ronden;
  • en voorts om de onderzoekshandelingen te verrichten die door de rechter-commissaris noodzakelijk worden geacht.

b) De officier van justitie wordt verzocht opdracht te geven aan de reclassering om een rapport over verdachte 1 op te maken en voor de totstandkoming daarvan psychiater persoon 21 als referent te benaderen.

c) De dataroom dient tot het tijdstip van de inhoudelijke behandeling van de zaak toegankelijk te blijven voor de verdediging.

2. In de zaak tegen verdachte 2

a) De zaak wordt verwezen naar de rechter-commissarisbelast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde:

als getuigen te horen:

  • getuige 1, met de beperkingen, zoals hiervoor vermeld;
  • getuige 3;
  • verdachte 1;
  • verdachte 5;
  • verdachte 6
  • het getuigenverhoor van getuige 2 af te ronden;
  • en voorts om de onderzoekshandelingen te verrichten die door de rechter-commissaris noodzakelijk worden geacht.

3. In de zaak tegen verdachte 3:

a) De zaak wordt verwezen naar de rechter-commissarisbelast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank,

teneinde als getuigen te horen:

  • getuige 1, met de beperkingen, zoals hiervoor vermeld;
  • getuige 3;
  • verdachte 1;
  • verdachte 4;
  • verdachte 2;
  • verdachte 6;
  • de reeds toegewezen -maar nog niet gehoorde- persoon getuige 4 als getuige te horen;
  • het getuigenverhoor van getuige 2 af te ronden;
  • en voorts om de onderzoekshandelingen te verrichten die door de rechter-commissaris noodzakelijk worden geacht

b) De officier van justitie wordt verzocht, zoals door haar is toegezegd, het proces-verbaal van het verhoor van persoon 13 als getuige in de zaak tegen verdachte 1 te voegen in het dossier van de zaak tegen verdachte 3.

c) De officier van justitie dient de nader op te maken reclasseringsrapportage over verdachte 1 te voegen in het dossier van de zaak tegen verdachte 3.

d) De officier van justitie dient de verdediging in de gelegenheid te stellen om de getapte telefoongesprekken waaraan verdachte 3 heeft deelgenomen uit te luisteren.

e) De officier van justitie dient de verdediging in de gelegenheid te stellen om de opnames van de verhoren van verdachte 3 te beluisteren op het kantoor van de FIOD.

4. In de zaak tegen verdachte 4:

De zaak wordt teruggewezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde de reeds door hem toegewezen -maar nog niet gehoorde- persoon getuige 4 als getuige te horen, alsmede de onderzoekshandelingen te verrichten die door de rechter-commissaris noodzakelijk worden geacht.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF