Ontnemingsvordering rijschoolhouder na veroordeling ambtelijke omkoping van CBR-examinator

Rechtbank Den Haag 26 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12823

De veroordeelde, een rijschoolhouder en rijinstructeur, is door de rechtbank op 18 april 2016 veroordeeld wegens de (ambtelijke) omkoping van een examinator van het CBR. In de periode van 29 maart 2012 tot en met 29 september 2014 heeft verdachte geld geboden, teneinde kandidaten voor het rijexamen te laten slagen, ongeacht de vraag of zij wel voldeden aan de rijgeschiktheidsnorm.

Standpunt van de officier van justitie

Zowel de inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie als zijn conclusie van eis strekken ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van €134.400.

Deze vordering is gebaseerd op het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ van 27 juli 2015. De conclusie van dit rapport is dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel €134.400 bedraagt.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel primair wordt geschat op €134.400 en subsidiair op een bedrag van €105.000. Ter onderbouwing van de subsidiaire vordering heeft de officier van justitie onder meer verwezen naar de eigen verklaring van de veroordeelde, afgelegd bij de politie op 9 oktober 2014, dat hij (netto) gemiddeld tussen de €500 en €2.000 per kandidaat heeft verdiend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen, omdat de veroordeelde in het geheel geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de berekening van de politie en het openbaar ministerie niet aansluit bij de bewezenverklaring en motivering van de rechtbank in het strafvonnis en dat de factoren die de politie heeft gebruikt ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet voldoende redengevend c.q. betrouwbaar zijn.

Daarnaast heeft de veroordeelde aangevoerd dat hij langlopende betalingsregelingen is overeengekomen met zijn klanten en dat niet aannemelijk is dat openstaande rekeningen nog worden betaald. De veroordeelde heeft ter terechtzitting ook aangevoerd dat de verklaringen die de veroordeelde bij de politie heeft afgelegd onder druk zijn afgelegd, en om die reden niet mogen worden gebruikt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Oordeel rechtbank 

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde ten gevolge van het plegen van dit feit wederrechtelijk voordeel heeft genoten. 

Anders dan de raadsman is de rechtbank voorts van oordeel dat de verklaringen van de veroordeelde, zoals afgelegd bij de politie, mogen worden gebruikt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel: ze zijn afgelegd op diverse data en tijdstippen, zijn steeds door de veroordeelde ondertekend en niet is gebleken dat ze onder ontoelaatbare (tijds)druk tot stand zijn gekomen.

Het aantal kandidaten

Voor de berekening van het aantal kandidaten dat via (de rijschool van) de veroordeelde na betaling aan examinator is geslaagd, heeft de recherche in het ontnemingsrapport gebruik gemaakt van een negental indicatoren. In een proces-verbaal van 8 maart 2016 heeft de recherche aan deze lijst een tiende indicator toegevoegd. De tien indicatoren zijn:

1.     het examen werd afgenomen door examinator ;

2.     de examenkandidaat werd aangebracht door de veroordeelde;

3.     grote afstand tussen het woonadres van de kandidaat en de examenlocatie;

4.     wisseling naar de rijschool van de veroordeelde;

5.     verklaringen van de veroordeelde;

6.     belastende tapgesprekken;

7.     belastende sms- of WhatsAppberichten;

8.     aanvullende belastende sms- of WhatsAppberichten;

9.     verkeersincidenten;

10.  gezakt voor de rijtest van het CBR.

De recherche heeft de eerste twee indicatoren aangemerkt als ‘basisindicatoren’, wat wil zeggen dat deze indicatoren altijd van toepassing moeten zijn op een examenkandidaat, wil deze überhaupt in aanmerking komen om als frauduleus geval te worden aangemerkt. Een kandidaat is vervolgens daadwerkelijk als frauduleus geval aangemerkt, als tenminste één andere indicator van toepassing is. Op grond van deze indicatoren is de recherche, ook in het voornoemde proces-verbaal van 8 maart 2016, tot een aantal van 84 kandidaten gekomen, dat via (de rijschool van) de veroordeelde tegen betaling is geslaagd.

De raadsman heeft betoogd dat de door de recherche gebruikte indicatoren niet voldoende redengevend c.q. betrouwbaar zijn om de berekening op te baseren. De rechtbank verwerpt dit verweer in zoverre, dat zij de indicatoren 4, 5 en 7 wél redengevend en betrouwbaar acht. Zij overweegt hierover het volgende.

Onder indicator 4 heeft de recherche de kandidaten ondergebracht, die zijn overgestapt van een rijschool elders in het land, naar de rijschool van de veroordeelde. Enkel die kandidaten zijn opgenomen, die ofwel op grote afstand van de rijschool van de veroordeelde woonden, ofwel die vele malen voor het rijexamen zijn gezakt en na de overstap naar de rijschool van de veroordeelde in één keer zijn geslaagd.

Onder indicator 5 heeft de recherche de kandidaten opgenomen, die de veroordeelde in zijn verhoren bij de politie zelf heeft aangewezen als kandidaten die tegen betaling hun rijbewijs hebben verkregen. De veroordeelde heeft verklaard dat hij met deze kandidaten afspraken maakte over een zogenaamd ‘garantiepakket’ en de prijs die daarvoor moest worden betaald. Een garantiepakket hield in dat kandidaten een bepaald bedrag betaalden, en in ruil daarvoor de garantie kregen dat zij zouden slagen voor hun rijbewijs als zij examen deden bij examinator. De veroordeelde zorgde er vervolgens voor dat de kandidaten daadwerkelijk examen deden bij examinator.

Onder indicator 7 heeft de recherche de kandidaten opgenomen, waarmee de veroordeelde via sms- of WhatsAppberichten afspraken heeft gemaakt over het kopen van een dergelijk garantiepakket. Voorts heeft de recherche onder deze indicator de kandidaten opgenomen, over wie de veroordeelde met examinator belastend sms- en WhatsAppcontact heeft gehad. Dit contact bestond in de eerste plaats uit het uitwisselen van informatie over de werkdagen en -tijden van examinator en de examendata van klanten van de veroordeelde. Voorts werd in deze berichten gesproken over het ‘geven van extra aandacht’ aan sommige kandidaten, wat blijkens de verklaring van de veroordeelde inhield dat examinator de kandidaat tegen betaling zou laten slagen voor het rijexamen.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat de gevallen waarin zowel de basisindicatoren, als één of meer van de indicatoren 4, 5 en 7 van toepassing zijn, kunnen worden aangemerkt als frauduleuze gevallen. Ten aanzien van hen is voldoende aannemelijk dat zij via (de rijschool van) veroordeelde tegen betaling aan examinator zijn geslaagd.

Uit voornoemd proces-verbaal van 8 maart 2016 en uit het ontnemingsrapport volgt dat voornoemde indicatoren van toepassing zijn op 56 kandidaten. De rechtbank stelt vast dat verdachte daarnaast in zijn verhoor van 9 oktober 2014 vier kandidaten heeft aangewezen als kandidaten die tegen betaling hun rijbewijs hebben verkregen, maar dat deze kandidaten in het overzicht van de recherche niet zijn vermeld. Op deze vier kandidaten is dus indicator 5 eveneens van toepassing, zodat in totaal zestig kandidaten als frauduleus geval moeten worden aangemerkt. Dit aantal wordt ondersteund door de verklaring van de veroordeelde, die op 8 oktober 2014 bij de politie heeft verklaard dat vijftig tot zestig kandidaten tegen betaling bij examinator zijn geslaagd. Dat sommige kandidaten mogelijk ook zouden zijn geslaagd als de veroordeelde examinator niet zou hebben omgekocht, zoals de raadsman heeft betoogd, doet aan het oordeel van de rechtbank niet af. Ook in deze gevallen heeft de omkoping immers plaatsgevonden. Bovendien is niet vast te stellen of kandidaten zouden zijn geslaagd zonder omkoping en zo ja, hoeveel.

In onderstaand overzicht heeft de rechtbank uiteengezet welke zestig kandidaten het betreft, en welke indicatoren op hen van toepassing zijn.

Opbrengst per kandidaat

De veroordeelde heeft verklaard dat hij (per kandidaat) gemiddeld tussen de €500 en €2.000 verdiende aan de examens, na aftrek van de kosten die hij moest maken voor het lesgeven, het examengeld en het geld voor examinator.

Bij de vaststelling van de opbrengst per kandidaat zal de rechtbank bij deze verklaring van de veroordeelde aansluiten. Zij zal de opbrengst per kandidaat vaststellen op een bedrag van €1.250, zijnde het gemiddelde van de door de veroordeelde genoemde bedragen.

Totaalopbrengst

Gelet op het voorgaande zou de veroordeelde een totaalopbrengst van (60 x €1.250 =) €75.000 hebben gehad.

Ter terechtzitting heeft de veroordeelde verklaard dat veel kandidaten hem nog niet hebben betaald, onder meer omdat hun rijbewijs werd ingetrokken ten gevolge van de strafzaak, en dat tegen deze kandidaten nog incassoprocedures lopen. De raadsman heeft daarnaast betoogd dat veel kandidaten de strafzaak tegen de veroordeelde zien als een excuus om niet te hoeven betalen en dat niet aannemelijk is dat de nog openstaande rekeningen nog worden betaald.

In oktober 2014 heeft de veroordeelde echter bij de politie verklaard dat de kandidaten hem vijftig procent van de garantieprijs op de dag van het examen betaalden, en (in termijnen) vijftig procent bij het slagen voor het rijexamen. Hij heeft voorts verklaard dat hij reeds een bedrag van €60.000 had verdiend en dat hij dit bedrag op zijn bankrekening had gestort. Ook heeft hij verklaard dat hij een incassobureau had ingeschakeld, omdat een aantal kandidaten nog niet (volledig) had betaald.

Hoewel de rechtbank het op zichzelf aannemelijk acht dat een deel van de kandidaten ten gevolge van de strafzaak en het intrekken van hun rijbewijs de veroordeelde het nog openstaande bedrag niet (meer) heeft betaald, betekent dat niet dat aannemelijk is dat de veroordeelde in het geheel geen betalingen meer heeft ontvangen sinds oktober 2014. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat van het merendeel van de kandidaten het rijbewijs niet is ingenomen, terwijl het sinds de aanvang van de strafzaak ook nog enige tijd heeft geduurd voor het rijbewijs van de overige kandidaten werd ingetrokken. Aannemelijk is dat deze kandidaten in de tussenliggende periode gewoon termijnbetalingen hebben voldaan. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de veroordeelde meerdere incassoprocedures heeft opgestart, zodat aannemelijk is dat hij ook via deze weg betalingen heeft ontvangen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het bedrag dat de veroordeelde na oktober 2014 van kandidaten heeft ontvangen vaststellen op €7.500, zijnde de helft van het verschil tussen €75.000 en €60.000.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op €67.500.

De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van €67.500 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF