Kwart financiële instellingen meldt zich na Panama Papers bij toezichthouder

Ruim 25% van de grote financiële instellingen in de wereld heeft na het verschijnen en het analyseren van de Panama Papers een melding gedaan van een mogelijk verdachte transactie of activiteit bij de toezichthouder. Een ruime meerderheid heeft na het verschijnen van de documenten direct een grondige analyse uitgevoerd om de mogelijke risico’s voor de onderneming in kaart te brengen. Met name afdelingen gespecialiseerd in het bestrijdenvan witwassen en Compliance-afdelingen hebben in de financiële sector het onderzoek naar de Panama Papers geleid. De werkwijze die de financiële instellingen hierbij hanteerden om de mogelijke gevolgen van de publicatie van de Panama Papers op waarde te kunnen schatten, verschilde echter aanzienlijk.

Dit blijkt uit een internationale analyse van KPMG naar de stappen die financiële instellingen hebben gezet na het verschijnen van de Panama Papers.

Resultaten minimaal gedeeld met stakeholders

Zo heeft 40% van de ondernemingen het volledige klantenbestand vergeleken met de namen die voorkomen in de database van ICIJ, het internationale consortium van onderzoeksjournalisten. Andere bedrijven kozen ervoor om specifieke, op risico gebaseerde analyses uit voeren. Zo legde 35% van de bedrijven het eigen klantenbestand alleen naast de namen die in de media werden opgevoerd. Overigens worden de bevindingen van de bedrijven nauwelijks gedeeld met hun stakeholders. Slechts 21% heeft de resultaten van alle analyses gecommuniceerd met de interne stakeholders, zoals de werknemers. En niet meer dan 19% heeft de externe stakeholders, zoals klanten en aandeelhouders, geïnformeerd.

Expertise van buiten

Uit de analyse van KPMG blijkt verder dat ruim 40% van de onderzochte financiële instellingen een speciaal team heeft geformeerd om zich te kunnen richten op mogelijke kwesties die voortvloeien uit de Panama Papers, teams die in omvang variëren van één tot vijftien werknemers. Daarnaast verwacht één op de drie bedrijven aanvullende kennis en expertise van buiten te moeten aantrekken, vooral gericht op het verhogen van de kwaliteit en het opschonen van data, strategische voorbereiding op mogelijke vragen en het uitvoeren van gedetailleerde analyses. “Het is opvallend dat geen van de onderzochte bedrijven aangeeft ondersteuning te zoeken op het gebied van informatiebeveiliging of cybersecurity om zo het risico op vergelijkbare datalekken te voorkomen”, zegt Huub Brinkman van KPMG Forensic. Brinkman: “Opmerkelijk gezien de mate waarin tegenwoordig klantdata worden gehackt en gedeeld met organisaties zoals de ICIJ.”

Actieve toezichthouders

Uit het onderzoek blijkt verder dat nationale toezichthouders bij een meerderheid van de bedrijven hebben geïnformeerd naar de mate waarin hun klanten worden genoemd in de database van ICIJ. Bijna 60% van de financiële instellingen geeft aan dat zij vragen van hun klanten hebben gekregen over de mate van betrokkenheid. Vooral de toezichthouders in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Hong Kong, Singapore, Zuid-Afrika en Griekenland toonden een meer dan gemiddelde belangstelling voor de mogelijke betrokkenheid van financiële instellingen in hun land bij de Panama Papers. Brinkman ziet de publicatie van de Papers als een waardevolle exercitie voor veel financiële instellingen. Brinkman: “De meeste bedrijven hebben als gevolg van de publicatie de organisatie beter ingericht zodat zij in staat zijn om adequaat te reageren op dit soort datalekken. Het valt niet uit te sluiten dat financiële instellingen in de toekomst vaker met dit soort incidenten geconfronteerd zullen worden.”

Lees hier het volledige rapport: 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF