Gevangenisstraffen voor niet-ambtelijke omkoping Havensteder

De kasbeheerder / treasurer van de Rotterdamse woningverhuurder PWS (het latere Havensteder) alsmede een tussenpersoon / geldmakelaar zijn op 14 november veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden voor niet-ambtelijke omkoping.

De rechtbank acht bewezen verklaard dat de tussenpersoon tussen 2008 en 2010 een bedrag van 80.000 euro aan smeergeld heeft betaald aan de kasbeheerder. Ook zou hij zich via valse facturen hebben opgemaakt.

De rechtbank overwoog als volgt: 

Giften aan de kasbeheerder van een woningcorporatie in een omvang zoals die zich hier voordoet leiden tot een onaanvaardbare belangenverstrengeling tussen de schenker en de ontvanger. De verdachte heeft met zijn handelen getracht om de zakelijke relatie met de woningcorporatie te smeren en bestendigen; zijn relatie met een woningcorporatie die zich richt op sociale woningbouw en volkshuisvesting voor de minst bedeelden in de samenleving. Mede door het handelen van de verdachte heeft de maatschappij het vertrouwen verloren in de integriteit van woningcorporaties. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij daaraan voorbij is gegaan en slechts oog heeft gehad voor zijn eigen financiële belangen.

De kwestie kwam aan het licht tijdens de parlementaire enquête woningcorporaties in 2014. Vestia-treasurer Marcel de Vries vertelde dat hij bij PWS iemand kende die net als hij ook werd betaald door een tussenpersoon.

De treasurer moest direct op gesprek komen bij de directeur-bestuurder van Havensteder. Hij bekende dat hij geld had aangenomen voor het afsluiten van leningen. Havensteder heeft de treasurer toen op staande voet ontslagen.
 

Schade vergoed

Havensteder en de treasurer legden in een vaststellingsovereenkomst vast dat de ex-medewerker de schade van 160.475 euro zou terugbetalen aan Havensteder. Dit is volgens de corporatie inmiddels gebeurd.

Het Openbaar Ministerie eiste twee weken geleden zeven maanden cel tegen zowel de voormalig kasbeheerder als de tussenpersoon.
 

Ontneming 

De rechtbank wijst de ontnemingsvordering voor een bedrag van € 521.211, die het OM instelde tegen de tussenpersoon, af. Er is onvoldoende verband tussen de omzet en het betaalde smeergeld.

De rechtbank overweegt dat telkens werd gekozen voor de financiële instelling die in haar optiek het beste of goedkoopste product kon leveren. Niet is gebleken dat de relatie tussen de tussenpersoon en de treasurer van Havensteder van doorslaggevende betekenis is geweest voor de keuze met welke financiële instelling en met tussenkomst van welke tussenpersoon zaken werd gedaan. Onder die omstandigheid komt de rechtbank tot het oordeel dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de betaalde gelden en de ontvangen provisies.
 

Lees hier de volledige uitspraken: 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF