Fraude met gemeentelijke fractiegelden

Rechtbank Amsterdam 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6505

Verdachte heeft met behulp van valse facturen in een half jaar tijd ruim € 224.000,- onttrokken aan het vermogen van de Stichting Leefbaar Amsterdam ’92. Niet is komen vast te staan door wie en op welke wijze de betalingsopdrachten namens de Stichting zijn gegeven. Dit laat onverlet dat door het handelen van verdachte de Stichting is benadeeld en opgelicht. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 2 voorwaardelijk.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht alle ten laste gelegde feiten bewezen te verklaren. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat deze facturen op de computer van verdachte zijn aangetroffen en blijkens onderzoek zijn geantedateerd. Uit de aangifte volgt dat verdachte geen opdrachten heeft gehad en geen werk heeft verricht voor de Stichting Leefbaar Amsterdam ’92 (hierna ook: ‘de Stichting’), waarbij de officier van justitie ook nog op een aantal getuigenverklaringen heeft gewezen. De facturen zijn dan ook valselijk opgemaakt door verdachte met het oogmerk om de facturen als echt en onvervalst te gebruiken. De onder 2 ten laste gelegde valse factuur heeft verdachte overhandigd aan aangever persoon 1 jr. (hierna: persoon 1 jr. ) om de betaling van dat bedrag te onderbouwen. Voor het voorhanden hebben van de onder 3 ten laste gelegde valse factuur heeft de officier van justitie gewezen op het feit dat deze tijdens de doorzoeking is aangetroffen in het appartement van verdachte.

De onder 4 ten laste gelegde oplichting door middel van die valse facturen en diefstal met valse sleutel kan in de visie van de officier van justitie eveneens worden bewezen; de overschrijvingskaarten moeten als valse sleutel worden aangemerkt, nu niet vast is komen te staan dat de betalingsopdrachten door persoon 1 jr. zijn ondertekend.

Ten slotte heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat ook het onder 5 ten laste gelegde feit bewezen kan worden, gelet op de getuigenverklaring van persoon 2 (hierna: persoon 2 ) en het steunbewijs bestaande uit de verklaring van persoon 3 (hierna: persoon 3 ), inhoudende dat daadwerkelijk een niet-betaalde bestelling is gedaan van circa € 40.000,-.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde primair vrij te spreken wegens gebrek aan bewijs. De verklaringen van aangever zijn ongeloofwaardig en dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten. Verdachte heeft gewoon gewerkt voor de door hem gedeclareerde facturen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken van deze feiten, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die zich eigenmachtig geld heeft toegeëigend. Het tegenovergestelde lijkt juist het geval, namelijk dat aangever de bedragen naar verdachte heeft overgemaakt.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde dient verdachte eveneens te worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Ook voor dit feit dient de verklaring van aangever te worden uitgesloten van het bewijs, nu hij ongeloofwaardig en inconsistent verklaart, terwijl het nadere bewijsmateriaal dat hij had beloofd aan te leveren, niets toevoegt. Daarnaast heeft alleen aangever verklaard dat hij aan verdachte € 40.000,- heeft betaald om meubels af te rekenen. Getuige persoon 2 verklaart dit niet. Meubelfabrikant persoon 3 verklaart dat alleen van horen zeggen van aangever.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2 en 3

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank beide feiten niet wettig en overtuigend bewezen en wel om de volgende reden. De officier van justitie heeft in zijn requisitoir aangegeven dat hij de onder 2 ten laste gelegde factuur apart ten laste heeft gelegd, omdat verdachte deze valse factuur heeft overhandigd aan aangever om de betaling te onderbouwen, waarmee hij opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse factuur. Dit zou volgens de aangifte eind 2008 hebben plaatsgevonden. Als pleegperiode is ten laste gelegd 17 oktober 2005 tot en met 17 juli 2006. Het gebruik van de factuur als bedoeld door de officier van justitie valt dus buiten de ten laste gelegde periode, om welke reden vrijspraak volgt van het onder 2 ten laste gelegde.

Eenzelfde redenering geldt ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft verzocht het voorhanden hebben van deze factuur bewezen te verklaren, nu deze is aangetroffen tijdens de huiszoeking bij verdachte. Bij dit feit is dezelfde pleegperiode als onder 2 in de tenlastelegging opgenomen, terwijl de huiszoeking in de woning van verdachte op 25 november 2013 plaatsvond. Het voorhanden hebben als bedoeld door de officier van justitie heeft dan ook niet in de pleegperiode plaatsgevonden. Verdachte wordt om die reden ook van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken.

Vrijspraak feit 4 tweede en derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Onder 4 is als tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegd verduistering van geldbedragen die toebehoorden aan Stichting Leefbaar Amsterdam ’92, die verdachte onder zich had uit hoofde van een persoonlijke dienstbetrekking of beroep of als beheerder van de stichting. Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank verduistering niet bewezen, nu op basis van het dossier niet is vast komen te staan dat verdachte geldbedragen van de Stichting onder zich had. Als al zou kunnen worden vastgesteld dat verdachte de administratie van de Stichting onder zich had, dan nog kan niet worden bewezen dat verdachte ook de ten laste gelegde geldbedragen onder zich had, noch vanuit een persoonlijke dienstbetrekking of beroep, noch als beheerder van de Stichting. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Onder 4 is als derde cumulatief/alternatief ten laste gelegd diefstal met valse sleutel van deze geldbedragen, te weten doordat verdachte de heer persoon 6 sr.., de oprichter van de Stichting Leefbaar Amsterdam ’92, handtekeningen onder blanco overschrijvingskaarten zou hebben laten zetten, dan wel doordat verdachte zelf valse of vervalste handtekeningen zou hebben gezet op overschrijvingskaarten en deze vervolgens naar de bank heeft verzonden.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. Op basis van het onderhavige dossier kan niet worden vastgesteld wie de overschrijvingskaarten heeft ingevuld en ondertekend. Ook aangever persoon 1 jr. is niet duidelijk geworden door wie de overschrijvingskaarten zijn ingevuld en ondertekend. Hij verklaart dat de handtekening wel op zijn handtekening lijkt, maar dat hij de handtekening niet heeft gezet. Nu wettig bewijs voor een van de twee in de tenlastelegging omschreven scenario’s ontbreekt, zal de rechtbank verdachte van deze beschuldiging vrijspreken.

Vrijspraak feit 5

Met de raadsman acht de rechtbank niet bewezen wat onder 5 is ten laste gelegd wegens gebrek aan bewijs. De verklaring van aangever, inhoudende dat hij aan verdachte € 40.000,- heeft betaald om meubels af te rekenen, staat lijnrecht tegenover de ontkennende verklaring van verdachte. Getuige persoon 2, die volgens aangever bij de overhandiging van de € 40.000,- aanwezig zou zijn geweest, verklaart weliswaar gezien te hebben dat dit geld door aangever aan verdachte overhandigd is, maar niet dat dit geldbedrag bestemd zou zijn geweest om meubels af te rekenen. Bovendien verklaart hij dat hij verdachte zou hebben horen zeggen dat hij het bedrag zou terugbetalen, hetgeen niet logisch is indien dit geld aan de meubelfabrikant zou moeten worden doorbetaald. Derhalve vindt de aangifte onvoldoende ondersteuning in deze getuigenverklaring.

Aan de op schrift gestelde verklaring van de meubelfabrikant persoon 3 kan evenmin steunbewijs worden ontleend, nu persoon 3 uitsluitend verklaart over mededelingen van aangever dat verdachte een rekening zou voldoen. Enig ander bewijs ontbreekt. De door aangever toegezegde e-mailberichten die zijn verhaal zouden ondersteunen, zijn nooit gevolgd. Verdachte zal dan ook van het onder 5 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Beroep op bewijsuitsluiting

Weliswaar heeft de rechtbank geconstateerd dat de verklaringen van aangever op onderdelen inconsistenties bevatten, echter deze zijn niet dusdanig en op dermate essentiële punten dat de rechtbank zijn verklaringen niet bruikbaar acht voor het bewijs. Anders dan de raadsman, acht de rechtbank de verklaringen van aangever in het geheel bezien voldoende consistent en betrouwbaar. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen. Dat neemt niet weg dat de rechtbank bij het gebruik van de verklaringen wel behoedzaamheid heeft betracht.

Feit 1

Zoals hiervoor overwogen heeft verdachte verklaard dat alle facturen door hem zijn opgemaakt. Alle facturen zijn zeer snel na het aanmaken betaald. Eén factuur wordt zelfs betaald vanaf de rekening van de Stichting, nog voordat deze factuur is aangemaakt op de computer van verdachte. De data die op de facturen zijn vermeld, betreffen meermalen data die in een verder verleden liggen dan de aanmaakdata van de documenten. Ondanks vragen van de rechtbank hierover, heeft verdachte hiervoor geen verklaring gegeven, anders dan (niet onderbouwd) te stellen dat er misschien iets mis was met zijn computer. Daarvan is echter niets gebleken. De rechtbank concludeert uit deze feiten en omstandigheden dat de door verdachte gemaakte facturen zijn geantedateerd. Tevens heeft verdachte gefactureerd op de eenmanszaak van persoon 4, die in het geheel geen werkzaamheden heeft uitgevoerd, hetgeen verdachte ook ter terechtzitting heeft verklaard. Dit levert reeds valsheid in geschrift op, zoals onder 1 is ten laste gelegd.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte wel daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht als opgegeven in de door verdachte opgemaakte facturen. In zes maanden tijd vloeit ruim € 224.000,- van de rekening van de Stichting naar verdachte via allerhande verschillende rekeningen. Op vragen van de rechtbank wat verdachte voor concrete werkzaamheden heeft verricht in deze korte tijdsspanne, waardoor een dergelijk bedrag aan verdachte toekwam, heeft verdachte geantwoord dat hij onder meer vragen heeft opgesteld en de telefoon heeft beantwoord. Enige nadere concretisering van zijn werkzaamheden heeft verdachte, ook na daar meerdere keren uitdrukkelijk naar te zijn gevraagd, niet kunnen geven. Mede gelet op de aanzienlijke bedragen die verdachte factureerde, had het op zijn weg gelegen om de gestelde werkzaamheden op enigerlei wijze te onderbouwen. Dit geldt temeer nu uit de verklaring van persoon 4 volgt dat zij niet weet in hoeverre verdachte betrokken was bij de Stichting en uit de verklaring van persoon 5 niet meer of anders volgt dan dat verdachte ‘wel eens iets heeft gedaan’ voor de Stichting en dat hij niet precies weet of verdachte nog iets anders heeft gedaan dan vragen opstellen. Indien verdachte dusdanig intensief voor de Stichting zou hebben gewerkt, is het ondenkbaar dat zij daar niets vanaf wisten, althans daarover niets kunnen verklaren. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de factuur als opgenomen in de tenlastelegging onder 1C dat verdachte in de maand februari 2006 180 uur aan werkzaamheden heeft gedeclareerd. Uit al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte niet de werkzaamheden heeft verricht, noch qua omvang noch qua inhoud, die hij in de facturen heeft vermeld.

De rechtbank sluit niet uit dat verdachte enige werkzaamheden voor de Stichting heeft verricht, maar dat die werkzaamheden vergoed zouden worden en wel tot een bedrag van ruim € 224.000,-, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Daarmee concludeert de rechtbank dat de valsheid van de facturen ook zit in het feit dat verdachte niet de werkzaamheden heeft verricht als opgegeven in de facturen. Het onder 1 ten laste gelegde wordt derhalve bewezen verklaard.

Feit 4 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde

In het verlengde daarvan wordt de oplichting van de Stichting door middel van valse facturen, als ten laste gelegd onder 4, eveneens bewezen verklaard. De facturen die verdachte heeft opgemaakt en naar eigen zeggen heeft verstuurd, waren vals en de daarop gedeclareerde bedragen zijn door de Stichting betaald. Verdachte heeft dan ook de Stichting door het opmaken en verzenden van de valse facturen, bewogen tot afgifte van de daarop genoemde geldbedragen. Daarbij brengt de rechtbank een bedrag van € 10.808,77 in mindering op het naar mevrouw persoon 4 overgemaakte bedrag van € 31.371,97, aangezien de daarbij behorende factuur van latere datum is dan het overboeken van het geldbedrag – waardoor niet is komen vast te staan dat de Stichting door deze factuur is bewogen tot afgifte van dit geldbedrag.

De rechtbank heeft in ogenschouw genomen dat het bedrag van € 33.790,05, als genoemd in de tenlastelegging onder 1E en onder 4, is overgemaakt naar rekeningnummer rekeningnummer, welke rekening ten name van verdachte, verdachte privé dus, is gesteld.13 Op de computer van verdachte is een factuur aangetroffen van naam bedrijf behorend bij dit bedrag, waarop hetzelfde rekeningnummer is aangegeven (pagina 510 van het dossier). Nu naam bedrijf een eenmanszaak van verdachte was, en verdachte heeft verklaard dat hij deze factuur heeft opgemaakt en verzonden, en het precieze bedrag wordt overgemaakt op de factuur genoemde rekening, acht de rechtbank bewezen dat vanuit de Stichting € 33.790,05 is overgemaakt aan naam bedrijf, als genoemd in de tenlastelegging onder 4.

Door wie en op welke wijze de betalingsopdrachten namens de Stichting zijn gegeven, kan op basis van de inhoud van het dossier niet worden vastgesteld. Aangever heeft aanvankelijk gesteld dat zijn (in 2008 overleden) vader destijds op verzoek van verdachte een heel boekje met blanco overschrijvingskaarten heeft ondertekend. Als aangever in een later verhoor wordt geconfronteerd met de overschrijvingskaarten waarmee de betalingsopdrachten zijn gedaan, ziet aangever daarop zijn eigen handtekening. Hij stelt vervolgens dat deze handtekening niet door hem is gezet maar moet zijn nagemaakt. Een en ander laat diverse scenario’s open, inclusief de mogelijkheid dat persoon 1 jr. en/of zijn vader op enigerlei wijze betrokkenheid heeft/hebben gehad bij de frauduleuze betalingen. Wat daar ook van zij, feit blijft dat de rechtspersoon is opgelicht en ernstig is benadeeld door de handelwijze van verdachte.

Bewezenverklaring 

  • Feit 1: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: Oplichting, meermalen gepleegd.

Strafoplegging 

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 2 voorwaardelijk.


Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF