Conclusie AG over de Roermondse affaire rond burgemeestersbenoeming

Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:452

De verdachte is bij arrest van 12 maart 2015 door het gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het primair, het subsidiair en het meer subsidiair tenlastegelegde en veroordeeld voor het meest subsidiair tenlastegelegde, te weten medeplichtigheid aan: enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd, tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.

Namens de verdachte zijn zeven middelen van cassatie voorgesteld.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Door het eervolle ontslag van de toenmalige burgemeester van Roermond op 1 februari 2012 raakt het ambt van burgemeester in deze gemeente vacant. Overeenkomstig het bepaalde in art. 61, derde lid, Gemeentewet wordt in het verband van de benoemingsprocedure een vertrouwenscommissie ingesteld, belast met de beoordeling van de kandidaten. Aan de vertrouwenscommissie wordt de toenmalige wethouder betrokkene 1 als adviseur toegevoegd. De verdachte is een van de kandidaten. Hij wordt met een meerderheid van stemmen door de gemeenteraad gekozen als beoogd burgemeester van Roermond en bij besluit van 27 september 2012 aanbevolen bij de minister van Binnenlandse Zaken. Volgens de verdenking van het Openbaar Ministerie zou betrokkene 1 uit hoofde van zijn functie als adviseur lopende de sollicitatieprocedure in contact hebben gestaan met de verdachte en in strijd met zijn geheimhoudingsplicht aan de verdachte relevante informatie hebben verstrekt over vragen en casusposities die de verdachte in het sollicitatiegesprek zouden worden voorgehouden en de gewenste antwoorden daarop en hoe hij daarbij de mooiste indruk zou maken. Naar het oordeel van het hof wist de verdachte dat betrokkene 1 deze vertrouwelijke informatie niet met hem mocht delen en heeft de verdachte betrokkene 1 de gelegenheid geboden diens geheimhoudingsplicht te schenden. Derhalve acht het hof de verdachte schuldig aan medeplichtigheid aan het opzettelijk schenden van enig wettelijk voorschrift op grond waarvan betrokkene 1 toen verplicht was het desbetreffende geheim te bewaren.

Het eerste middel keert zich tegen ’s hofs verwerping van het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte moet worden verklaard wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Aangevoerd wordt dat betrokkene 1 ook telefonische gesprekken heeft gevoerd met een andere sollicitant die zich actiever heeft opgesteld dan de verdachte en, althans dit maak ik op uit de toelichting op het middel (het wordt daarin niet in zoveel woorden gesteld), kennelijk te dien aanzien niet is vervolgd door het openbaar ministerie.

Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich met een rechtsklacht tegen de kwalificatiebeslissing van het hof en houdt in dat het hof het begrip medeplichtigheid telkens te vergaand heeft opgerekt nu daaronder niet te brengen zijn de bewezenverklaarde uitvoeringshandelingen (i) het aanhoren en aannemen van informatie over vragen en toelichting op vragen die gesteld worden tijdens het sollicitatiegesprek voor de vacature van burgemeester van Roermond, en informatie over de uitkomst van de beraadslaging van de vertrouwenscommissie, (ii) het vragen naar het standpunt van een lid van de vertrouwenscommissie en (iii) het instemmen met een voorstel van betrokkene 1 om net te doen of ze elkaar voor het eerst spreken, op het moment dat betrokkene 1 de verdachte belt met de mededeling dat hij zou worden voorgedragen als de nieuwe burgemeester van Roermond.

Het derde middel klaagt dat het hof niet (voldoende) heeft gereageerd op “het uitdrukkelijk onderbouwde verweer van de verdediging”, inhoudende dat het verwijt dat de verdachte zou hebben ingestemd met het voorstel om te doen alsof hij betrokkene 1 voor het eerst sprak op het moment dat betrokkene 1 hem zou bellen met de mededeling dat hij voorgedragen zou worden, niet bewezen kan worden en/of geen schending van het ambtsgeheim oplevert.

Het vierde middel klaagt dat het uitdrukkelijk onderbouwde verweer van de verdediging – inhoudende dat het verwijt dat de verdachte naar het standpunt van een lid van de vertrouwenscommissie zou hebben gevraagd geen hulp bij of tot het misdrijf oplevert – door het hof onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd is verworpen. In de toelichting op het middel wordt te dien aanzien nader aangevoerd dat het hof op geen enkele wijze gemotiveerd inzichtelijk heeft gemaakt waarom in weerwil van het betoog van de verdediging de geheimhoudingsverklaring op dat moment nog steeds gold en er geen sprake is van een verrichting na het misdrijf.

Het vijfde middel behelst in samenhang met de toelichting daarop de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de informatie betrokkene 1 aan de verdachte telefonisch heeft meegedeeld betreffende het komende sollicitatiegesprek onder de geheimhoudingsplicht in de zin van art. 61c Gemeentewet valt, nu de door betrokkene 1 verstrekte informatie niet valt onder de term “beraadslaging” als bedoeld in art. 61, derde en vierde lid, art. 61a, derde lid, en art. 61b, derde lid, Gemeentewet.

Het zesde middel keert zich met een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping “van het uitdrukkelijk onderbouwde verweer van de verdediging, inhoudende dat requirant zich op geen moment bewust is geweest van de mogelijkheid dat betrokkene 1 informatie doorgaf die onder de geheimhoudingsplicht zou vallen, nu hij in de veronderstelling verkeerde dat de geheimhouding enkel op de privacy van de kandidaten zag”.

De AG adviseert de Hoge Raad om het beroep te verwerpen.

Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF